Posts tonen met het label methoden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label methoden. Alle posts tonen

22.10.09

De kracht van het digitale schoolbord

Door Jos Cöp.

In een ongekend tempo verschijnen digitale schoolborden in de basisscholen. Inmiddels zijn al veel gebruikerservaringen beschikbaar en de conclusie is overweldigend: zelden heeft de introductie van een nieuw hulpmiddel geleid tot zoveel enthousiasme. Nu er zoveel borden in de klas staan, is de centrale vraag of het digibord kan helpen om het onderwijs effectiever te maken. In dit artikel gaan we daarom in op de opbrengsten van het digibord, de mate waarin deze bijdragen aan de effectiviteit van het onderwijs en de mogelijke gebruikssituaties waarin het bord toegevoegde waarde kan hebben. We sluiten het artikel af met een checklist die gebruikt kan worden om de effectiviteit van het digibordgebruik te vergroten.

Afbeelding 1: percentage scholen dat de beschikking heeft over digitale schoolborden (Bron: Kennisnet, Vier in balans monitor 2009. ICT in het onderwijs, stand van zaken.)

Het digibord is nog maar sinds korte tijd in de klas te vinden. Toch is vanuit wetenschappelijk onderzoek al vrij goed te typeren wat de opbrengsten van het digibord zijn voor scholen (o.a Fisser & Gervedink Nijhuis, 2009). Deze hebben ten eerste te maken met de mogelijkheden om de actualiteit en de wereld op een visueel aantrekkelijke manier in de klas te halen. Dit heeft voorspelbare positieve gevolgen voor de uitdaging en het enthousiasme van leerlingen en leerkrachten. Toch is het niet alleen de aantrekkelijkheid die centraal staat. Ook de interactie tussen leerkrachten, leerlingen en leerstof kan worden versterkt door het groot projecteren en de mogelijkheid om de lesstof te bewerken. Verder is er nog de kant van het gebruiksgemak, met name voor de leerkracht. Het digibord wordt namelijk beleefd als de ultieme alles in één bron, met als extra faciliteit de mogelijkheid om bewerkingen op te slaan en terug te halen.

We weten dus dat het digibord de motivatie van de leerkracht en leerlingen vergroot en dat het ook wat betreft het gebruiksgemak veel te bieden heeft. Nog een niveau dieper is het interessant om na te gaan of het bord daardoor of daarnaast nog kan leiden tot effectiever onderwijs. Enerzijds heeft dit te maken met de kracht van de wijze van het aanbieden van de leerstof en anderzijds met de mogelijkheid om gedifferentieerd om te gaan met de onderwijsbehoeften van kinderen. Om een goed antwoord te kunnen geven op deze vraag is het belangrijk om te benoemen wat de kenmerken van effectief onderwijs zijn. Dit is een bijna tijdloze onderzoeksvraag waar voortdurend onderzoek naar gedaan wordt (o.a. Vernooij, 2006; Manzano, 2003). Hierdoor zijn we langzamerhand uitstekend in staat om effectief onderwijs in min of meer tijdloze conclusies te benoemen. Per kenmerk zullen we bekijken hoe dit zich verhoudt tot het gebruik van het digibord.

1. Doelgerichtheid
Duidelijke leerdoelen vormen een belangrijke voorwaarde voor effectief leren. Een les zonder expliciet leerdoel is als een stuurloos schip: de les komt ergens terecht, maar niemand weet eigenlijk precies waar. In vrijwel alle gevallen leidt het ontbreken van leerdoelen tot activiteit- in plaats van doelgericht werken, waarbij de aanname is dat het bezig zijn ook tot leren leidt. Feitelijk staat het bezig zijn centraal in plaats van het leren van iets nieuws.
Als het gaat om doelgericht leren kan het digibord zowel een positieve als een negatieve uitwerking hebben. Er zijn leerkrachten waarbij het ‘flitsende’ en het ‘leuke’ het volledig gewonnen hebben van het doelgerichte. Zij verliezen zichzelf in de ‘amusementsindustrie’ die de klas binnengehaald kan worden. Maar leerkrachten die vanuit een duidelijk leerdoel met het digibord aan de slag gaan, zullen in veel gevallen juist betere mogelijkheden vinden om de leerlingen te laten leren.

2. Betrokkenheid
Al eerder zagen we dat één van de belangrijkste opbrengsten van het digibord is dat kinderen meer betrokken raken. De wereld en de actualiteit kunnen immers op een visueel aantrekkelijke manier eenvoudigweg de klas in gehaald worden. Betrokkenheid is een voorwaarde om tot leren te komen, dus in die zin is dit pure winst. Maar betrokkenheid op zichzelf is nog geen leren. Leerlingen kunnen ook zeer betrokken zijn bij dingen die niet relevant zijn of die op een niveau liggen dat ze allang beheersen. Toch is het duidelijk dat het digibord talloze mogelijkheden biedt om kinderen uit te dagen en te motiveren. Bijvoorbeeld met behulp van films, audio, afbeeldingen, invultemplates, naslagmogelijkheden, enzovoort.

3. Een effectief lesmodel
Effectief leren vraagt om een weloverwogen en didactisch verantwoorde lesopbouw, waarbij er ook aandacht is voor instructie aan kinderen die dat nodig hebben. Onderzoekers zijn het in verregaande mate met elkaar eens dat het directe instructiemodel, of een afgeleide hiervan, de beste mogelijkheden biedt om leerlingen effectief te laten leren. Dit model, bestaande uit een introductiefase, een instructiefase, een (begeleide) inoefenfase, een (individuele) verwerkingsfase en een evaluatiefase, sluit nadrukkelijk aan bij de huidige constructivistische opvattingen over het leren. Het lesgeven volgens een effectief lesmodel stel je niet veilig door te werken met een digitaal schoolbord. Net zoals bij het werken met papieren leermiddelen, is het de leerkracht die de lesopbouw effectief maakt in plaats van het onderwijsmaterieel. Maar een leerkracht die doelgericht werkt en uitgaat van een afgewogen didactische fasering heeft met het digibord een prima hulpmiddel in handen om de optelsom van de fasen, de totale leeractiviteit, nog sterker te maken.

4. Omgaan met verschillen
Tot nu toe hebben we het gehad over de kenmerken van effectief onderwijs die gelden voor alle leerlingen. Toch hangt de effectiviteit van het onderwijs in sterke mate samen met de mogelijkheden die er zijn om rekening te houden met de verschillen tussen kinderen. Hierbij gaat het dus om de mogelijkheden om het onderwijs passend te maken en aan te laten sluiten bij de individuele leerbehoeften.

4a. Omgaan met verschillen: instructie en begeleiding
Een belangrijk verschil tussen leerlingen is de mate waarin ze instructie en begeleiding nodig hebben om de leerdoelen te bereiken. Risicoleerlingen hebben (veel) instructie en begeleiding nodig, maar hun klasgenoten die het allemaal wat makkelijker afgaat, kunnen vaak via zelfstandig leren de doelen bereiken. Hierbij kunnen ze individueel of samen met andere leerlingen werken, met weinig of zelfs geen begeleiding van de leerkracht. Het gaat hierbij om kinderen die goed mee kunnen komen, een goede werkhouding hebben en waarbij de leesvaardigheden voldoende ontwikkeld zijn om zelf leerstof op te kunnen nemen.
Met het digibord is het mogelijk om door de verbeterde visuele ondersteuning en toegenomen interactiemogelijkheden de kwaliteit van de instructie en de begeleiding toe te laten nemen. Iets wat met name de risicoleerlingen en de gemiddelde leerlingen sterk ten goede kan komen. Te eenzijdig en met name te klassikaal gebruik van het digibord kan echter ook een negatief effect hebben. De goede leerlingen leren te weinig zelfstandig en worden teveel aan de hand genomen. Met als gevolg dat de leerkracht teveel kinderen tegelijk moet bedienen en de interactie minder af kan stemmen op de onderwijsbehoeften van de kinderen die de hulp het hardst nodig hebben.

4b. Omgaan met verschillen: leertijd
Een tweede belangrijk verschil tussen leerlingen is de behoefte aan leertijd om doelen te behalen. Uit onderzoek op het gebied van leesonderwijs in de tachtiger jaren van de vorige eeuw (Ward, 1987) weten we al dat de onderste 10% van de leerlingen 2,5 tot 6 keer zoveel leertijd nodig hebben om de doelen te bereiken als de bovenste 10% van de kinderen. Om ook risicoleerlingen zoveel mogelijk de doelen te laten bereiken, is het dus noodzakelijk om ze veel meer tijd te geven. Tijd die gevuld wordt met extra instructie (verlengde en / of herhaalde instructie), inoefening en verwerking. Maar deze momenten komen alleen uit de verf als er structureel tijd voor wordt gereserveerd op het lesrooster. Ze zijn te belangrijk om slechts incidenteel toe te voegen aan het toch al vaak overvolle lesprogramma.

Afbeelding 2: extra instructie- en oefenmogelijkheden op het digitaal schoolbord bij het spellingonderwijs (Bron: spellingmethode Spelling in beeld).

Het digibord heeft absoluut een toegevoegde waarde als het gaat om het bieden van extra leertijd. Dit heeft alles te maken met de mogelijkheden om gegeven instructie en oefenstof op te slaan en met één klik weer tevoorschijn te halen. Een kortere of langere herhaling van de leerstof is daardoor veel makkelijker geworden en in de praktijk zien we dan ook dat dit vaker gebeurt. Vaak is het ook zo dat digibordsoftware die hoort bij een methode dit type herhalingsstof al bevat. En door dit grote gebruiksgemak heeft een leerkracht ook meer tijd vrij voor de extra begeleiding van risicoleerlingen.

4c. Omgaan met verschillen: didactische variatie
Pas als extra instructie en begeleiding en het verlengen van de leertijd onvoldoende rendement opleveren bij risicoleerlingen, is het moment daar om ook te kijken naar de didactische aanpak: hoe wordt de stof aan verschillende kinderen aangeleerd? Hierbij geldt dat het niet goed is om te snel van aanpak veranderen: geef kinderen eerst de kans om voldoende te oefenen en te herhalen. Als dan blijkt dat de kinderen de stof nog niet gaan beheersen, kan het zinvol zijn om voor een andere aanpak te kiezen.

Gebruikssituaties
De bijdrage die het digitaal schoolbord kan leveren aan de effectiviteit van het onderwijs is sterk afhankelijk van de manier waarop het wordt ingezet. Uiteindelijk is het hierbij belangrijk wat er op het bord staat en in welke situatie het gebruikt wordt. In grote lijnen zijn er vier gebruikssituaties van het digibord te onderscheiden: als ‘tussendoortje’, als aanvulling op de methode, bij het zelf arrangeren van lessen en bij het direct werken vanuit de digibordsoftware van de methode. We zullen ze hierna kort bespreken en daarbij ook voorbeelden geven van veelgebruikte software en websites.

a. Als tussendoortje
De eerste tijd dat een digibord nieuw in de klas aanwezig is, heeft het meestal niet zoveel invloed op het lesprogramma. Het digibordgebruik staat niet of nauwelijks in het teken van het streven naar kwaliteitsverbetering. Het bord biedt dan vooral de mogelijkheid om veel meer gebruik te maken van beelden, filmpjes en audio, waarmee de wereld en de actualiteit op een ongekend eenvoudige manier in de klas belanden. De meest gebruikte ‘bordvulling’ bestaat uit websites waarmee foto’s en filmpjes gezocht en getoond kunnen worden, zoals Youtube.com, Uitzendinggemist.nl, Schooltv.nl/beeldbank, Teleblik.nl, Klassetv.nl, Flickr.com en Google.nl/afbeeldingen. Daarnaast zijn de sites van educatieve programma’s als Klokhuis, Willem Wever en Sesamstraat zeer interessant. Voor nieuws en nieuwsfeiten wordt vaak gebruikgemaakt van Nu.nl, het Jeugdjournaal.nl en Kidsweek.nl. (Digitale) spelletjes vindt u op sites als Spelletjesplein.nl, Leerspellen.nl en Speelzolder.nl..Het digibord biedt op deze manier leuke zaken voor tussendoor en met een dergelijke vulling van korte tussenmomenten kan de schooldag een stuk leuker worden.

b. Als aanvulling op de methode
De leerstof die in de lessen op scholen aan bod komt, is vaak afkomstig uit een methode. Dit geldt vooral voor lessen bij de basisvaardigheden lezen, taal en rekenen. Het grote voordeel is dat de leerlijnen in methoden helder en over het algemeen goed doordacht zijn. De leerkracht hoeft niet voortdurend vanaf een nulpunt zijn lessen samen te stellen. Toch zijn er ook wel wat nadelen. Een methode bestaat vaak uit een omvangrijk pakket van materialen dat minstens een jaar of acht meegaat. En zeker wanneer het papieren methoden betreft, is de mogelijkheid om de actualiteit in de lessen in te bouwen, beperkt. Hier biedt het digibord een duidelijke meerwaarde. Verder vormen ook de zoekmogelijkheden via het digbord een mooie aanvulling op methoden. Digitale encyclopedieën als Wikipedia.nl en Wikikids.nl, zoekmachines als Google.nl, Davindi.nl en Bing.nl en woordenboeken als Vandale.nl, Rijmwoorden.nl en Spreekwoorden.nl maken het mogelijk om in de interactie breder te gaan dan methodemakers vooraf bedacht hebben. En als digitale topografische naslagwerken bieden Google.nl/maps en Google earth natuurlijk ook prima aanvullingen.

c. Zelf lessen arrangeren
Methoden leveren kant-en-klare lessen. Door gebruik te maken van deze bestaande lessen bespaart een leerkracht veel tijd. En voor leerkrachten die minder bekend zijn met de leerlijnen zijn ze ook een belangrijke steun en vormen ze een professionaliseringsmiddel. Als alternatief voor het gebruik van kant-en-klare lessen kunnen lessen op basis van een vastgestelde leerlijn ook zelf worden samengesteld. Op internet is veel materiaal voorhanden. Toch is het zelf arrangeren van lessen, zeker als het de basisvaardigheden betreft, iets wat niet onderschat mag worden. Het ontwerpen, maken of zoeken van een goede leerstofopbouw, krachtige lesdoelen, effectieve instructiemomenten, passende teksten, bijpassend beeldmateriaal en doelgerichte oefenstof vraagt nogal wat. Gelukkig nemen de mogelijkheden om via het internet zaken met elkaar te delen toe, maar in termen van samenhang, voorbereidingstijd en professionaliteit blijft het een grote klus. En een klus met veel verantwoording. Dit is ook de reden dat weinig scholen ervoor kiezen om hun lesprogramma op deze manier in te vullen en inspecties het zeker niet stimuleren. Als een schoolteam er toch voor kiest om (een deel van) het lesprogramma zelf te ontwikkelen, kan gebruik worden gemaakt van allerlei materialen die via startpagina’s als Startpagina.nl, Yurls.net en Symbaloo.com of op eigen websites van leerkrachten reeds klaarstaan.

Afbeelding 3: aspecten die een rol spelen bij het zelf arrangeren van lessen.

Het digibord biedt hier ook mogelijkheden. Veel fabrikanten van digitale schoolborden bieden gekoppeld aan hun product mogelijkheden om ontworpen templates, lesideeën en uitwerkingen in een soort van community te delen. Het is ook mogelijk dat het initiatief Wikiwijs, onlangs gestart vanuit Kennisnet en de Open Universiteit, het zelf arrangeren wat meer kansen gaat geven. Met dit initiatief gaat geprobeerd worden om op een wikipedia-achtige manier leerstof te maken, te redigeren, publiceren en te delen. Of het allemaal gaat werken, zullen we in de toekomst gaan zien. Maar duidelijk is wel dat de digitalisering van leerstof in combinatie met de weergave op een digibord een belangrijke stimulans kan zijn om zelf met de stof aan de slag te gaan.

d. Methodisch werken
De situaties waarin het digibord gebruikt worden, zijn momenteel aan het veranderen. Daar waar het digibord in eerste instantie vooral gebruikt werd op momenten tussendoor en om de inhoud van een methode aan te vullen, zien we nu het accent steeds meer verschuiven naar methodisch gebruik van het bord. Veel uitgevers zijn bezig met het beter integreren van digibordgebruik in hun methoden of hebben dit al gedaan en dit leidt tot veel nieuwe mogelijkheden. De digibordsoftware wordt daarmee steeds meer het hart van de methode.

Afbeelding 4: digimenu op basis van uitgewerkte dagindelingen (bron aanvankelijk leesmethode Veilig leren lezen).

Afbeelding 5: digimenu op basis van compleet methode-overzicht (bron taalmethode Taal in beeld).

Natuurlijk stelt dit wel kwaliteitseisen aan de software zelf. Volledig geïntegreerde digibordsoftware bestaat uit drie lagen. De eerste laag wordt gevormd door een overzichtsmenu. Dit biedt een compleet overzicht van het programma van de methode en er kan doorheen geklikt worden. Alle onderdelen van de methode kunnen met enkele ‘clicks’ bereikt worden. Door een dergelijk digimenu krijgt een methode een volwaardige elektronische ingang en neemt het gebruiksgemak enorm toe.
Vanuit het digimenu is het vervolgens mogelijk om door te klikken naar een tweede laag, waarbinnen leerlingmateriaal groot geprojecteerd kan worden. Deze weergave is vergelijkbaar met wat op papier te zien is, waardoor het gecombineerd werken met het digibord en papieren boekjes makkelijker wordt en het onderwijs passender gemaakt kan worden. Leerlingen die de leerstof makkelijker opnemen en beschikken over een goede leesvaardigheid en werkhouding, gaan dan in veel gevallen sneller zelfstandig aan het werk, veelal ondersteund door papieren materiaal. De kinderen die wat meer moeite hebben met het bereiken van de doelen kunnen met de digitale ondersteuning meer instructie en begeleiding krijgen.
Het meest interessant is de derde laag van de digibordsoftware, want daarin vinden we toepassingen die op papier niet mogelijk zijn. Het gaat hierbij om digitale hulpprogramma’s die vanuit de geprojecteerde lessen met één muisklik gestart kunnen worden. Ze ondersteunen de instructie en begeleiding door de leerkracht. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om programma’s die de leesstrategieën bij begrijpend lezen geanimeerd uitleggen en inoefenen. Of om geanimeerde prentenboeken, letterlijnen, flitsoefeningen en structuureeroefeningen bij het voorbereidend en aanvankelijk lezen. Of om woordenhulpprogramma’s die kinderen helpen als ze moeilijke woorden tegenkomen. Belangrijk hierbij is wel dat deze digitale programma’s ook daadwerkelijk geïntegreerd zijn in het methodisch programma. Op die manier voegt het digibord iets toe wat op papier niet kan. Weinig leerkrachten zijn geïnteresseerd in digibordstof die methoden alleen maar verder doen uitdijen en daarmee de tijdsdruk op het lesrooster alleen maar vergroten.

Afbeelding 6: gedigitaliseerde letterlijn voor het digitale schoolbord (bron aanvankelijk leesmethode Veilig leren lezen).

Afbeelding 7: digitale woordenhulp voor het digitale schoolbord (bron taalmethode Taal in beeld en begrijpend leesmethode Lezen in beeld).

In dit artikel is gekeken naar de kenmerken van effectief onderwijs en de mate waarin het digibord daaraan een positieve bijdrage kan leveren. Als we kijken naar de kracht van het digitaal schoolbord in het perspectief van effectief onderwijs, kunnen we samenvattend zeggen dat het gebruik van een digibord veel te bieden heeft. Het gebruik van het digibord kan de betrokkenheid van leerlingen vergroten en biedt vele mogelijkheden op het gebied van extra instructie en begeleiding aan zorgleerlingen. Ook als we kijken naar de andere kenmerken van effectief onderwijs (doelgerichtheid, een effectieve lesmodel, het bieden van extra leertijd en het realiseren van didactische variatie) zien we dat het digibord een positieve bijdrage kan leveren, maar het uiteindelijke effect is daarbij sterk afhankelijk van de situatie waarin het bord gebruikt wordt en de didactische keuzes die de leerkracht aanvullend maakt.

Checklist Digibordgebruik
  • Is het digibordgebruik leerdoelgericht?
  • Maakt het digibordgebruik kinderen meer betrokken?
  • Passen de digibordactiviteiten binnen een effectief lesmodel?
  • Leidt het digibordgebruik tot betere instructie aan en begeleiding van risicoleerlingen?
  • Leidt het digibordgebruik niet tot te weinig zelfstandig leren door de goede leerlingen?
  • Wordt het digibord gebruikt om de effectieve leertijd te verlengen?
  • Wordt het digibord benut voor variatie in didactische aanbieding?

Literatuur:

  • Fisser, P. , & Gervedink Nijhuis, G. (2009). Digiborden in de klas: vanzelfsprekend of toch vernieuwend? In: Proceedings Onderwijs Research Dagen, pp 248-249.
  • Kennisnet (2009). Vier in balans monitor 2009. ICT in het onderwijs, de stand van zaken.
  • Manzano, R.J. (2003). What works in schools; translating research into action. Alexandria: ASCD.
  • Vernooij, K. (2006). Effectief omgaan met risicolezers. Werken aan preventie en beter omgaan met leesproblemen. Amersfoort: CPS.
  • Ward, B. (1987). Instructional grouping in the classroom. School Improvement Research Series. NW Regional Education Laboratory.
Met dank aan Jeske Heezemans.

Presentatiefilm 'De kracht van het digibord'



1.4.08

Niets werkt altijd. Is zelfstandig leren beter dan een klassikale aanpak?

Door Jos Cöp

Het onderwijs in de klas kan op vele manieren ingericht worden. Het ene uiterste is de klassikale benadering, waarbij de leerstof aan de hele groep tegelijk wordt aangeboden en kinderen in de verwerking een beperkte tijd zelfstandig zullen werken. Dit kan een prima werkwijze zijn, maar bij nogal wat scholen werkt deze manier van werken steeds minder omdat de verschillen tussen kinderen in de groepen simpelweg te groot zijn. De onderwijsbehoeften verschillen teveel, waardoor kinderen boven of onder hun niveau aangesproken worden en daardoor afhaken. Het resultaat: een weinig effectieve les die snel onorganiseerbaar kan worden.
Het andere uiterste is de individuele benadering, waarbij iedere leerling zelfstandig werkt aan eigen taken en hierbij afzonderlijk ondersteuning krijgt. Geen gemakkelijke opgave voor een leerkracht en de gevaren van didactische verwaarlozing, doelloos zelfstandig werken en gebrek aan instructie liggen nadrukkelijk op de loer. Ook deze inrichting van het onderwijs kan gemakkelijk ontaarden in een weinig effectieve en onorganiseerbare klassensituatie.

De discussie tussen de aanhangers van beide inrichtingswijzen is interessant, maar tegelijk een vergeefse zoektocht naar die ene massa-oplossing die altijd werkt. Overal in onze samenleving is waar te nemen massa-oplossingen juist plaats maken voor een meer flexibele oplossingen die beter afgestemd kunnen worden op de behoeften van mensen. Denk bijvoorbeeld aan de 24 smaken koffie in de supermarkt, het persoonlijke hypotheekadvies, de zorg op maat-benadering van zorgverzekeraars en het televisiekanaal voor hondenbezitters. Het onderwijs is een deel van deze samenleving en ook de onderwijsleerbehoeften van kinderen verschillen behoorlijk. Het is de uitdaging voor iedere school om hier flexibel mee om te gaan, zonder het meest belangrijke, het bieden van onderwijs van uitstekende kwaliteit, uit het oog te verliezen.

Onderwijsmethoden kunnen scholen daarbij helpen door een kwalitatief hoogstaand basisprogramma te bieden en op een organisatorisch goed doordachte manier aan te bieden. Hierbij is flexibiliteit een voorwaarde, want daardoor wordt een methode precies wat het moet zijn: een passend hulpmiddel dat een leerkrachten veel werk uit handen kan nemen. Moderne goed doordachte methoden doen dit door een compact basisprogramma aan te bieden. Het betreft leerstof die alle kinderen zullen moeten beheersen conform de kerndoelen die de overheid aan de scholen stelt. Deze leerstof moet dan terug te vinden zijn in het leerlingmateriaal en niet, zoals veel te vaak het geval is, gedeeltelijk zijn opgeborgen in de tekstkolommen van de handleing, waardoor de zelfstandigheid van leerlingen belemmerd wordt. Staat de hele les in het leerlingmateriaal, dan kan de leerstof in drie organisatievormen worden aangeboden: zelfstandig lerend, samenwerkend lerend of begeleid. De keuze voor de best passende werkwijze kan het best gemaakt worden op de plek waar de daadwerkelijke behoeften van de kinderen het best kunnen worden ingeschat. In de klas en door de leerkracht.

In het artikel “Juf, ben ik in beeld? Vijf onderwijskundige voorwaarden voor goed taal- en leesonderwijs” zal nader worden ingegaan op de zaken die uiteindelijk bepalen hoe het onderwijsaanbod zo goed mogelijk kan worden afgestemd op wat kinderen nodig hebben.

19.10.07

Even stil juf. Ik leer zelfstandig!

Door Jos Cöp

Inleiding
Zelfstandig leren is in. Bij heel veel leeractiviteiten is er volop aandacht om kinderen zelfstandig te laten werken of zelfs geheel zonder leerkracht tot leren te laten komen. Een prachtige uitdaging en een voortreffelijk streven. In dit artikel bespreken we een vijftal punten die belangrijk zijn voor het goed organiseren van het zelfstandig leren in de klas.

Wat is het?
Het eerste punt is een definitiekwestie. Waar hebben we het eigenlijk over? Om het simpel te houden zijn er twee manieren om de zelfstandig uitgevoerde activiteiten van leerlingen te benoemen: zelfstandig werken en zelfstandig leren.
Van zelfstandig werken is sprake als kinderen een gedeelte van de les, bijvoorbeeld na een interactief instructiemoment waarin uitgelegd wordt hoe de persoonsvorm in een zin gevonden kan worden, individueel verwerkingsactiviteiten gaan doen. Ze zoeken dan bijvoorbeeld de persoonsvorm in een achttal zinnen. Het gaat dus om één of enkele lesfasen, waarbij leerlingen zonder dat de leerkracht er direct bij betrokken is, aan de slag gaan. Goed voor de afwisseling en goed voor de voor de leerkracht die hiermee ook zijn handen vrij krijgt om een beperkt aantal kinderen tijdens de verwerking gericht te ondersteunen. In principe gaat het bij zelfstandig werken dus om een leerkrachtgebonden les met een aantal momenten waarop kinderen zelfstandig bezig zijn. Zelfstandig leren is wezenlijk anders. Hierbij is het namelijk het uitgangspunt dat kinderen onafhankelijk van de leerkracht de leerdoelen gaan bereiken. Ze werken individueel of in samenwerkende vorm en de leerkrachtrol is begeleidend. Zelfstandig leren stelt daarmee hoge eisen aan de leeractiviteit en het materiaal dat daarbij gebruikt wordt. De leerkracht staat niet permanent voor alle kinderen klaar met een paplepel met instructie, maar intervenieert alleen daar waar nodig.

De doelstelling
Een tweede belangrijk punt bij zelfstandig leren heeft te maken met de doelstellingen van de leeractiviteiten. Zelfstandig, onafhankelijk van de leerkracht, leren moet net als alle andere organisatievormen waarin onderwijs gegeven kan worden ergens toe leiden. Er moet een inhoudelijk doel zijn en de kinderen moeten dit weten. Bijvoorbeeld het kunnen schrijven van een verslag over een bijzondere dag of het correct kunnen toepassen van de verlengingsregel bij spelling. Is er geen doel, dan is het ook zeer de vraag of er sprake is van leren. Te vaak wordt zelfstandig leren gezien als een doel op zich, waardoor het feitelijke leerdoel achter de horizon is verdwenen. Wat vervolgens gebeurt is voorspelbaar: er worden allerlei taken bij elkaar gegrabbeld en het liep lekker als alle kinderen mooi aan het werk waren. Dit is echt een gemiste kans en onderwijs krijgen dreigt dan te verworden tot bezigheidstherapie. Deze situatie waarin het doel (dat moet bereikt worden) uit beeld is en het middel (het zelfstandig leren) tot doel is verheven, leidt tot weinig effectief onderwijs.

Het materiaal
Een derde belangrijk punt bij het zelfstandig leren is het materiaal dat gebruikt wordt. In principe is in wetenschappelijk opzicht vrij veel bekend over hoe een effectieve leeractiviteit in elkaar zit. Om een leerdoel te bereiken, is het belangrijk dat de taak wordt geïntroduceerd, er sprake is van een instructiemogelijkheid, de leerlingen verwerkingsopdrachten doen en er ter afsluiting sprake is evaluatie / reflectie. Dit geldt ook voor zelfstandig leeractiviteiten en wil deze organisatievorm succesvol zijn, dan zal het gebruikte materiaal opgebouwd moeten zijn vanuit een dergelijke lesfasering. Nogal wat methoden die de mond vol hebben van zelfstandig leren, kunnen dit absoluut niet maken. Er wordt de leerlingen uitsluitend een doe-activiteit voorgeschoteld en de aanname is dat er wel sprake zal zijn van leren. Dat het anders kan bewijst bijvoorbeeld de taalmethode Taal in beeld. Hierin staat de volledige les met alle fasen, inclusief het instructiemoment, in het leerlingmateriaal en kunnen de kinderen volledig zelfstandig de leerroute volgen. De taalles start met de doelstelling in het taalboek en vervolgens volgen de eerder genoemde fasen. Er wordt een uitstapje gemaakt naar het werkboek en weer terug in het taalboek volgt een korte evaluerende terugblik, waarbij nagegaan wordt of het lesdoel bereikt is of niet.

Figuur 1: Een taalles uit de methode Taal in beeld. De volledige les staat in het leerlingmateriaal. Iedere tab staat voor een lesfase. De les is daardoor maximaal geschikt voor zelfstandig leren.(Klik op afbeelding om deze te vergroten)

Altijd en overal?
Een vierde punt is de vraag of zelfstandig leren een geschikte werkwijze is voor alle kinderen. Het antwoord is kort en bevat drie letters: nee. Zelfstandig leren vraagt wat van de leerlingen: voldoende leesvaardigheid om de taak te kunnen begrijpen en uit te voeren en een passende werkhouding. Alleen maar zelfstandig leren en dat ook nog eens voor alle kinderen, iets dat sommige aanhangers van het nieuwe leren tot uitgangspunt gepromoveerd hebben, is een illusie. Een beter motto is: zelfstandig waar het kan, samen waar met moet. Zijn kinderen dus in staat om zelfstandig de leerdoelen te bereiken, dan is een organisatievorm gebaseerd op zelfstandig leren (individueel of samenwerkend) een zeer effectieve manier van onderwijs geven. Is aan deze voorwaarden niet voldaan, dan is er minstens in enige mate begeleiding nodig om resultaat te boeken. Het is zeker niet het materiaal dat een belemmering vormt, want goed zelfstandig leermateriaal is meestal ook zeer geschikt voor een meer begeleide setting. Andersom is een veel groter probleem. Materiaal dat gemaakt is voor begeleid of klassikaal gebruik is zelden geschikt voor zelfstandig leren.

Alleen of samen?
Een vijfde belangrijk punt bij zelfstandig leren is de vraag of de leerlingen individueel of samen gaan werken. Zelfstandig betekent namelijk niet automatisch alleen. Als kinderen individueel aan de slag gaan, dan biedt dit vaak organisatorische voordelen. Er is minder ruis in het lokaal, er hoeven geen duo's of groepjes samengesteld te worden en de leerkracht hoeft de samenwerking niet te corrigeren. Samenwerkend zelfstandig leren kan, doordat er sprake is van interactie, wel veel meerwaarde hebben. Kinderen kunnen elkaar zaken uitleggen, kunnen al discussiërend tot meer leerrendement komen en het is vaak ook veel leuker. Voor de leerkracht kan samenwerkend leren organisatorisch echter best lastig zijn. Niet in alle klassen is het samenstellen van groepjes en het daarna doelgericht samenwerken even gemakkelijk te realiseren. Om die reden ligt het voor de hand om in eerste instantie vooral gericht te zijn op het werken in tweetallen, ook wel duoleren genoemd. Daarna kan gekozen worden voor grotere groepjes, maar vaak neemt de doelgerichtheid af naarmate de groep groter wordt. En ook bij samenwerkend leren is het goed om in de gaten te blijven houden dat het een middel is en geen doel.

Zelfstandig leren heeft de dagelijkse onderwijspraktijk in potentie dus veel te bieden. Nu is het onze taak om het verantwoord en effectief in te zetten. Niet als doel, maar als middel. Zeg maar gerust een wondermiddel.

Wat maakt woordenschatlessen effectiever?

Door Jos Cöp

Inleiding
Woordenschatontwikkeling is belangrijk. Daar is iedereen het over eens. Onvoldoende woorden kennen heeft namelijk een zeer grote invloed op het schoolsucces en alles wat daarop kan volgen. Onderwijs gericht op het vergroten van de woordenschat van kinderen wordt steeds meer een algemeen goed. Er gebeurt dus meer, maar de vraag blijft wel of het op de goede manier gebeurt. In dit artikel bekijken we het woordenschatonderwijs met aandacht voor alle aspecten die hierbij een rol spelen: de leerstof, de didactiek, de organisatie, de differentiatie en de ondersteuningsmogelijkheden met behulp van software.

Verschillen in woordenschat
De belangstelling voor woordenschatonderwijs komt niet ineens uit de lucht vallen. Meerdere onderzoeken en publicaties stelden vast dat er een enorm verschil is in het aantal woordbetekenissen dat kinderen op een bepaalde leeftijd kennen. Zo blijkt steeds opnieuw dat er een enorm gat is tussen de woordenschat van kinderen uit taalarme en taalrijke milieus. Driejarige kinderen uit taalrijke milieus hebben een woordenschat die vijf keer zo groot is als hun klasgenootjes uit taalarme milieus. Dat is een heel groot verschil, maar op zich wel begrijpelijk gezien het feit dat kinderen uit taalrijke milieus meer dan twee keer zoveel verschillende woorden per uur horen dan kinderen uit taalarme milieus (Hart & Risley, 1995). Meer woorden horen, vergroot uiteraard de kans op het gaan kennen van meer woordbetekenissen. Vandaar dat het verschil bij aanvang van de schoolloopbaan zo groot is. Verder weten we ook nog dat die verschillen tijdens het naar school gaan vaak alleen maar groter worden. Werk aan de winkel dus.

Het belang van woordenschat
Waarom is die woordenschatontwikkeling dan zo belangrijk? Minder woorden kennen, is dat zo'n probleem? Het antwoord hierop is kort, namelijk ja. Ten eerste omdat het bij veel kinderen niet gaat om een paar woorden minder, maar om een duidelijk groter verschil. Verder is vast te stellen dat het kennen van woordbetekenissen enorm belangrijk is voor een goede taalleesontwikkeling. Bijna ieder aspect van de taalleesontwikkeling is verbonden met woordenschat.



Figuur 1: woordenschat en taalleesontwikkeling

De woordherkenning bij het technisch lezen en het vlot lezen gaat een stuk sneller als het gaat om woorden die bekend zijn. Hetzelfde geldt voor het leren spellen. De schrijfwijze van woorden beklijft veel gemakkelijker als het woord betekenis heeft. Ten aanzien van het leesbegrip kan vastgesteld worden dat woordenschat één van de belangrijkste voorspellers is. Het niet kennen van 10% van de woorden, maakt het begrijpen van een tekst vrijwel onmogelijk. Dit geldt ook voor het luisteren. Vallen er serieuze gaten doordat woorden ‘mistig’ zijn, dan is een gesprek al gauw niet meer te volgen. Weg leuk contact, weg lekker gesprek. Bij schrijven en spreken speelt ook iets vergelijkbaars. Het niet kennen van de juiste woorden betekent dat het heel moeilijk kan zijn om je uit te drukken over bepaalde zaken. Het belemmert daarmee de mogelijkheden tot communiceren. Kortom, de conclusie om woordenschatontwikkeling te beschouwen als één van de belangrijkste elementen van de taalleesontwikkeling is gerechtvaardigd. Wetenschappers discussiëren met elkaar of het de motor of de brandstof is, maar duidelijk is in ieder geval wel dat je zonder niet succesvol kunt 'rijden'.

Hoe leren kinderen nieuwe woorden?
Als leerkracht heb je gauw het idee dat kinderen een woord wel zullen kennen. "Ik heb het je uitgelegd, dus je weet wat het is", is een veelgehoorde uitspraak. Eigenlijk is het best jammer dat de waarheid wat grilliger is.

Het leren van nieuwe woorden is namelijk een vorm van netwerkjes bouwen met verbindingen tussen woorden die je wel kent en het woord dat je nog niet echt kent. En als zo'n verbinding een aantal keren gelegd kan worden en vervolgens ook nog onderhouden wordt, dan mag je aannemen dat het woord onderdeel is geworden van de woordenschat van een kind. Belangrijk is om er nadrukkelijk rekening mee te houden dat woorden dus bijna nooit in één keer geleerd kunnen worden en dat losse woorden, die het kind niet kan koppelen aan bestaande kennis, niet of nauwelijks onthouden kunnen worden.

Figuur 2: woorden in netwerken

Verder is er ook nog de nodige commotie over de hoeveelheid woorden die kinderen in een schooljaar kunnen leren. Jarenlang zijn enorme aantallen van 800 tot 1200 genoemd, maar de laatste jaren is het realisme teruggekeerd. Het schijnt al mooi te zijn als er sprake is van een aanvulling van de woordenschat met gemiddeld 300 tot 400 per jaar (Stahl en Shiel, 1999). Een beetje meer zou nog kunnen, maar een veelvoud is fictie. En op fictie moet je geen onderwijsdoelstellingen bouwen. Meer woorden aanbieden, blijft natuurlijk zinvol, want er zijn kinderen die het wel voor elkaar krijgen en die mag je het niet onthouden. Maar zoals de jongste PPON-onderzoeken ook laten zien, heeft de lat jarenlang onrealistisch hoog gelegen (Heesters e.a., 2007). En dat is zeker niet aangenaam als je geen hoogspringer bent.

Verschillen in woordenschat
Naast de verschillen in de omvang van de woordenschat, zijn de woordbetekenissen die kinderen kennen vaak behoorlijk verschillend. Ieder kind is anders en dat geldt ook voor de samenstelling van de woordenschat. Dit maakt het in groepsverband leren van nieuwe woorden niet eenvoudig en is een belangrijk argument om terughoudend te zijn met het klassikaal leren van nieuw woordbetekenissen. Een les kan enorm goed in elkaar zitten, maar voor de kinderen die de aangeboden woorden al kennen is het effect om precies te zijn nul. Of onder nul zelfs: het mee moeten doen met een activiteit waarvan je de doelstelling al bereikt hebt is frustrerend en leidt gemakkelijk tot demotivatie en ordeverstorend gedrag.

Diep of breed
Een groot discussiepunt bij het leren van nieuwe woorden is de keuze tussen een diepte-aanpak of een breedte-aanpak. Wetenschappers buigen zich nog steeds over de vraag wat het meest effectief is, maar zijn het vooralsnog niet eens.

Een breedte-aanpak is een werkwijze waarbij veel woorden redelijk oppervlakkig worden aangeleerd. Bijvoorbeeld door kort even de betekenis (slechts enkele betekenisaspecten) te noemen, er even over te praten, een voorbeeldje geven en eventueel een plaatje tonen en dan weer verder te gaan. Voorbeelden van activiteiten gebaseerd op een breedte-aanpak zijn interactief voorlezen, korte instructiemomenten bij alle vakken om woorden te bespreken, woordpresentaties, woorddiscussies en werkvormen gebaseerd op denken - delen - uitwisselen.

Een diepte-aanpak is een les waarbij juist veel aandacht wordt besteed aan weinig woorden. Een dergelijke les bevat directe instructie en is veelal opgebouwd volgens het VSCC-model (Verhallen en Verhallen, 2000). Dit model bevat vier lesfasen.


Figuur 3: VSCC-model

Eerst de fase van het voorbewerken, waarin de kinderen gemotiveerd worden en de aanwezige voorkennis wordt geactiveerd. Daarna volgt de fase van het semantiseren, waarin de betekenis wordt uitgelegd. Vervolgens is er de fase van het consolideren, het inoefenen, waarbij een keer of zeven herhalen de richtlijn is. Tot slot volgt de controle in de vorm van het op twee of drie manieren toetsen van het woord. Dat dit model toegevoegde waarde kan hebben voor met name zwakke leerlingen, is inmiddels wel bewezen. Maar door het enorme tijdsintensieve karakter van een dergelijke aanpak en door het feit dat de bovenstaande fasering vaak in één les geperst wordt, is het toch wel onduidelijk of deze aanpak daadwerkelijk het meest te bieden heeft. Daar komt nog bij dat het allemaal erg schools blijft. Het toepassen van woorden in of bij eigen gesproken of geschreven teksten, het uiteindelijke doel van woordenschatonderwijs, komt niet of nauwelijks aan de orde.

Het is dus zeer de vraag of er wel een beste manier is om kinderen nieuwe woordbetekenissen te laten leren. Bij kinderen die onvoldoende oppikken uit een breedte-aanpak, is directe instructie aan de hand van VSCC-model absoluut van toegevoegde waarde. Voor de andere kinderen is dat de vraag. Het feit dat er zoveel tijd in zo weinig woorden gestopt wordt, kan wel eens in hun nadeel werken.

Woordenschatonderwijs in vijf lagen
Woordenschatonderwijs wordt vaak geassocieerd met het aanleren van woordbetekenissen. Dit is onterecht, want er zijn veel meer leeractiviteiten die een positieve invloed hebben op de woordenschat van kinderen (Lubliner en Scott, 2007). We kunnen daarbij vijf lagen onderscheiden, die samen staan voor goed georganiseerd woordenschatonderwijs.

Figuur 4: de vijf lagen van woordenschatonderwijs

Een eerste laag heeft te maken met de omgeving die een school te bieden heeft. Deze omgeving moet rijk ingericht zijn zodat kinderen veel met mondelinge en schriftelijke taal in aanraking komen, waardoor ze op ongedwongen wijze in contact kunnen komen met veel woorden. Enerzijds heeft dit te maken met de materiële invulling (veel zichtbare taal) en anderzijds met de talige gerichtheid van de activiteiten.
Een tweede laag betreft de aandacht voor woordbewustzijn. Door veel met de vorm en de betekenis van woorden bezig te zijn, worden kinderen zich bewuster van de waarde van het kennen van woorden en neemt hun intrinsieke motivatie om zoveel mogelijk woordbetekenissen op te snuiven toe.
De derde laag wordt gevormd door de aandacht voor strategieën en vaardigheden om de betekenis van woorden die ze nog niet kennen af te kunnen leiden. Instructie geven over woorden is mooi, maar bij veel situaties waarin kinderen tegen woorden aanlopen die ze niet kennen, is er geen mogelijkheid om instructie te geven of te krijgen. Dus zullen ze moeten proberen om de betekenis zelf af te leiden (uit beeld, uit de woordbouw, of uit de context), op te zoeken of na te vragen.

Ook hierbij zal overigens vaak blijken dat de woordbetekenis niet beklijft door één keer de juiste betekenis gehoord of gezien te hebben. Daarom is het belangrijk dat kinderen zelf ook over strategieën en vaardigheden beschikken waarmee ze in staat zijn om de betekenis beter te onthouden. Dit kunnen ze doen door te associëren (bijvoorbeeld een woordweb te maken), woorden aan elkaar te relateren (bijvoorbeeld een woordparaplu, woordkast, woordpad of woordpodium te maken) of de woordbetekenissen toe te passen (bijvoorbeeld in raadsels, teksten of presentaties).

De vierde laag is die van het eerder genoemde gericht leren en instrueren van woordbetekenissen. Zoals eerder gezegd kan dit gebeuren op basis van een diepte- of een breedte-aanpak.

De vijfde laag is die van het toepassen van woordbetekenissen, het uiteindelijke doel van woordenschatonderwijs. Dit betekent dat kinderen bij het lezen, schrijven, luisteren en spreken de woorden actief gebruiken of passief herkennen.

Samen zorgen deze vijf lagen voor kwalitatief hoogstaand woordenschatonderwijs. De eerste twee lagen hebben daarbij vooral een incidenteel karakter en vragen wat van de materiële inrichting van de school en de basisactiviteiten die er plaatsvinden. Ze zorgen ervoor dat kinderen in contact komen met woorden en dat ze ervoor open staan.
De bovenste drie lagen zijn meer leerdoelgericht en daarmee intentioneel. Deze gaan meer in de richting van gerichte onderwijsleeractiviteiten en vragen ook om methodisch materiaal waar een leerkracht gebruik van kan maken. Te denken valt aan moderne taal- en leesmethoden die de leerkracht in verregaande mate kunnen ondersteunen.

Organisatie en differentiatie
Goed woordenschatonderwijs vraagt best veel van leerkrachten. De leerstof in de vorm van woordbetekenissen is zeer divers en hetzelfde geldt ten aanzien van de beginsituaties van de verschillende kinderen. De afgelopen jaren is het woordenschatonderwijs in Nederland, door de toegenomen aandacht voor het vakgebied, zonder twijfel behoorlijk verbeterd. Er is echter een heel grote tijdverspiller binnen het woordenschatonderwijs, namelijk het oefenen met woorden die kinderen al blijken te kennen. Vaak gaan hele groepen vanuit volkomen begrijpelijke organisatorische overwegingen aan de slag met doelwoorden, waarvan verondersteld wordt dat ze ze niet kennen. In nogal wat situaties blijkt die veronderstelling overigens niet te kloppen. En dus oefenen nogal wat kinderen in taal- en leeslessen met woorden die ze allang kennen.

Met name de meest recente taal- en leesmethoden laten zien dat het anders kan. Zo staan in de basislessen van de taalmethode Taal in beeld de strategieën en vaardigheden om woordbetekenissen te kunnen afleiden en onthouden centraal. Hierbij worden de doelwoorden wel geraakt, maar niet expliciet onderwezen. Bij de toetsing in het begin van de vierde week van een blok, wordt op individueel niveau nagegaan welke doelwoorden nog niet beheerst worden. Tijdens de rest van de vierde week is er in het kader van de herhalingstaken een ruime mate van aandacht voor het aanleren van de doelwoorden die nog niet goed ‘zitten’. Dit gebeurt echter alleen met de kinderen waarbij vastgesteld is dat ze de woorden nog niet kennen. De andere kinderen gaan verder met plustaken.

Figuur 5: een blok Taal in beeld

De herhalingstaken op het gebied van woordenschat kunnen zowel op papier als met de computer uitgevoerd worden. Mocht een leerkracht, overigens volkomen terecht, niet willen wachten tot na de toets, dan kan diezelfde software al op een eerder moment ingezet worden. Bijvoorbeeld in de vorm van preteaching of direct in het verlengde van de basislessen. Ook binnen deze software wordt bewaakt dat kinderen alleen oefenen met woorden die ze nog niet kennen.

Een ander voorbeeld van goed doordachte differentiatie bij woordenschatlessen is terug te vinden in de nieuwe versie van de taalmethode Zin in taal. Bij de woordenschatlessen is namelijk een onderscheid gemaakt tussen basisleerstof voor alle kinderen en extra leerstof voor kinderen die een minder grote woordenschat hebben. Bij het geven van de lessen uit de methode kan gekozen worden voor verschillende werkmodellen: het kernmodel, het woordenschatmodel of het taalbeschouwingsmodel. Wanneer een groep leerlingen extra lessen op het gebied van woordenschat nodig heeft, dan kiest de leerkracht voor het woordenschatmodel. Per eenheid wordt het aantal lessen dan uitgebreid. Is die behoefte er niet, dan kan gekozen worden voor minder accent op woordenschatontwikkeling door te werken volgens één van de andere werkmodellen.

De computer helpt
Er komen zowel vanuit wetenschappelijke als praktische bronnen steeds meer aanwijzingen dat het gebruik van software op het gebied van woordenschatontwikkeling grote voordelen heeft. Zo zijn er al onderzoekers geweest die als conclusie geformuleerd hebben dat woordenschatinstructie met de computer in bepaalde omstandigheden effectiever is dan traditionele instructie (McCardle, 2007; Van Lieshout, 2005). Deze conclusie kan overigens alleen volgehouden worden als de software aan bepaalde kenmerken voldoet. Te denken valt hierbij aan de volgende basisvoorwaarden voor goede woordenschatsoftware.

Ten eerste gaat het hierbij om het feit dat kinderen in het programma aan moeten kunnen geven welke woorden ze wel en welke woorden ze niet kennen. De woorden die ze niet kennen, worden (uitgebreid) geoefend. De woorden die ze zeggen wel te kennen, worden uiteraard nog wel getoetst. Blijken ze dan de betekenis toch niet te kennen, dan komen ze alsnog in de oefenactiviteiten terug. Als de software leerlingen de mogelijkheid geeft om dit onderscheid te maken, is het uitgesloten dat er veel oefentijd wordt besteed aan woorden die allang worden beheerst.

Figuur 6: schermgedeelte waarin kinderen aan kunnen geven welke woorden ze wel en niet kennen.

Ten tweede is het belangrijk dat woordenschatsoftware semantiserende oefeningen bevat en niet, zoals zo vaak, eigenlijk alleen maar toetsende oefeningen. Deze zijn alleen zinvol om vast te stellen wat wordt beheerst, maar leveren nauwelijks een bijdrage aan het vergroten van de woordenschat. Bij dit type oefeningen leren de niet-kenners van het woord niets. De oefening helpt hen namelijk niet om het nieuwe woord te integreren in hun reeds bestaande woordenschat. En de leerling die het betreffende antwoord wel goed hebben, leren ook niets, want ze komen tot het goede antwoord omdat ze het woord al kenden. In plaats van het accent op toetsende oefeningen moet het accent dus liggen op semantiserende oefeningen. Deze zijn te herkennen aan een ruime aandacht voor woordomschrijvingen (inclusief beeld en / of geluid), voorbeeldzinnen en relatieschema’s (relaties leggen met andere woorden).

Figuur 7: voorbeeld van een semantiserende oefening waarbij relaties worden gelegd tussen woorden.

Figuur 8: voorbeeld van een toetsende oefening

Een derde kenmerk van goede woordenschatsoftware is dat het op woordniveau aansluit bij doelwoorden die in de basislessen aan de orde komen. In eerste instantie valt hierbij te denken aan de taal- en leeslessen. Het programma moet deze woorden aanbieden, waardoor het in de vorm van preteaching (voordat het in de lessen aan bod komt) of extra consolidatieoefening (inoefenen nadat het al aangeboden is) ingezet kan worden. Juist door deze samenhang is de kans groot dat kinderen de nieuwe woorden die ze tegenkomen ook echt gaan onthouden. Geen overbodige luxe gezien het feit dat we uit onderzoek weten dat bij een traditionele aanpak slechts één op de drie woorden ook daadwerkelijk aan de woordenschat wordt toegevoegd (Appel & Vermeer, 1997). Uitgeverij Zwijsen heeft een woordenschatprogramma ontwikkeld dat methode-onafhankelijk gebruikt kan worden, maar ook in verregaande mate afgestemd kan worden op de methoden Taal in beeld, Zin in taal, Ondersteboven van lezen en Tussen de regels. Door aan te geven welke methoden gebruikt worden, worden de doelwoorden volledig afgestemd op wat in de basislessen aan bod komt.

Figuur 9: schermgedeelte uit leerkrachtmodule woordenschatprogramma waarbij aangegeven kan worden bij welke methode het softwareprogramma moet aansluiten

Een vierde kenmerk waaraan woordenschatsoftware moet voldoen om meerwaarde te bieden ten aanzien van de traditionele instructie, is dat er een woordenschathulp is ingebouwd die kinderen op ieder moment dat het nodig is, kunnen gebruiken. Kinderen zijn verschillend, dus moet om hulp gevraagd kunnen worden op het moment dat het nodig is. Verder moet de hulp die op het gevraagde moment geboden kan worden veelzijdig zijn en in ieder geval een omschrijving (met plaatje en / of geluid), een voorbeeldzin en een relatieschema (verbindingen met andere woorden) bevatten. Als deze faciliteit aanwezig is, dan wordt het leuk, want er is geen computer die begint te zuchten als hij binnen twee uur aan het zevende kind voor de vijfde keer op drie manieren een woord gaat uitleggen. Zolang de ventilator in de pc goed werkt, kent software geen stress.
Figuur 10: woordenschathulp waarbij een woord wordt uitgelegd aan de hand van een omschrijving
Figuur 11: woordenschathulp waarbij een woord wordt uitgelegd aan de hand van een voorbeeldzin

Figuur 12: woordenschathulp waarbij een woord wordt uitgelegd aan de hand van relatieschema
Een vijfde kenmerk van woordenschatsoftware die de moeite waard is, is dat voortdurend de vorderingen bijgehouden worden en zichtbaar zijn voor zowel leerkracht als leerling. Hierdoor zien kinderen hun woordenschat groeien, wat één van de belangrijkste zaken is om inspanning te blijven leveren. Voor de leerkracht is het belangrijk dat de leerlingresultaten opgeslagen worden, door de computer worden geanalyseerd en er een rapportje geleverd wordt waarmee duidelijk wordt welke woorden een kind al kent en waar hij nog moeite mee heeft.
Figuur 13: vorderingenmeter waarmee kinderen hun woordenschat zien groeien

Een zesde belangrijk kenmerk van goede woordenschatsoftware is dat een instelling gemaakt kan worden waarmee gekozen kan worden voor een diepte- of een breedte-aanpak (Veel oefening met minder woorden of minder oefening met meer woorden). Met deze instelling moet de hoeveelheid oefening per woord op een eenvoudige manier bepaald kunnen worden. Er is geen ideale aanpak die voor iedereen goed is, dus moet variatie mogelijk zijn. Ook in software.
Figuur 14: schermuitsnede uit leerkrachtmodule waarin de hoeveelheid oefening per woord kan worden bepaald

Als deze zes basiskenmerken in de software zitten, dan is sprake van een duidelijke toegevoegde waarde. Technisch is het geen enkel probleem om het zo te maken en ook is het aangenaam om vast te stellen dat dergelijke software gewoon beschikbaar is (Vermeer & Van der Guchte, 2007). Uit de eerste evaluatieonderzoeken (Van Lieshout, 2005) is gebleken dat hiermee het rendement van het woordenschatonderwijs sterk vergroot kan worden. Waar een rendement van een kleine 35% (35 van de 100 aangeboden woorden worden onthouden) als normaal kan worden beschouwd, zijn er indicaties dat met woordenschatsoftware die gebouwd is volgens de bovenstaande kenmerken 70% haalbaar kan zijn.
Overigens is het niet alleen het te behalen rendement dat pleit voor het inzetten van meer woordenschatsoftware. De computer levert namelijk ook een belangrijke bijdrage aan het organiseren van de differentiatie. Door de computer te laten doen waar hij goed in is kan het organiseren van goed woordenschatonderwijs gemakkelijker worden. Het bieden van aansprekende oefeningen (accent op semantisering), het zorgvuldig toetsen, het bijhouden en zichtbaar maken van de vorderingen en het bieden van een vervolgprogramma op basis van de toetsing, het zijn allemaal zaken die een computer goed voor elkaar kan krijgen. Een welkome aanvulling gezien het feit dat de gemiddelde leerkracht nog steeds maar twee handen heeft.
Haalbaar
In dit artikel is in ruime mate aandacht besteed aan het belang van een goede woordenschat. Ook is aangeven hoe we kunnen komen tot verbeteringen in het woordenschatonderwijs. Een heel belangrijk aspect hierbij is de (organisatorische) haalbaarheid. Goede ideeën zijn niets waard als ze niet in praktijk gebracht kunnen worden. En haalbare ideeën zijn het waard om vanaf morgen toegepast te worden. Daarom de volgende samenvattende tips.
· Creëer een schoolomgeving waarin kinderen in contact komen met veel woordbetekenissen. Dit hoeft niet altijd gestructureerd te gebeuren. Ga in eerste instantie voor veel woorden met beperkte aandacht per woord (breedte-aanpak).
· Volg de vorderingen van de leerlingen door regelmatig te toetsen en stel zo vast welke kinderen de doelen niet bereiken.
· Schakel bij kinderen die via de bovengenoemde breedte-aanpak onvoldoende nieuwe woorden leren kennen over op een intensieve aanpak met directe instructie volgens het (eerder genoemde) VSCC-model (diepte-aanpak). Laat deze leerlingen alleen oefenen met doelwoorden die ze nog niet kennen.
· Gebruik geavanceerde woordenschatsoftware om de kwaliteit van de instructie te verbeteren en de differentiatie organisatorisch haalbaar te maken. Zorg dat doelwoorden in de software overeenkomen met de doelwoorden in de basislessen van de door u gebruikte taal- en leesmethoden.
· Leer kinderen hoe je de betekenis van woorden kunt afleiden en op welke manieren je woordbetekenissen beter kunt onthouden. Hierdoor zijn ze beter in staat om zelfstandig nieuwe woorden te leren kennen.

Literatuur
Appel R. & Vermeer A. (1997). Woordenschat en taalonderwijs aan allochtone leerlingen. Tilburg: University Press.
Filipiak, P. (2000) Woordenschatverwerving met de leerkracht of met de computer?. Jeugd in school en wereld, 2000/05, pag. 27 – 29.
Guchte, C. van der & Vermeer A. (2007). Computerprogramma woordenschat Taal/lezen. Tilburg: Uitgeverij Zwijsen. Meer informatie inclusief een online rondleiding: http://www.zwijsen.nl/zwijsen/show/id=177388.
Hart B. & Risley T. (1995). Meaningful Differences in the everyday experience of young American children. Baltimore: Paul H. Brookes.
Heesters, K. e.a. (2007). Balans van het leesonderwijs aan het einde van de basisschool 4. Uitkomsten van de vierde peiling in 2005. Arnhem: Cito.
Lieshout, K. van (2005). Van woorden naar daden. Tilburg: Faculteit Communicatie en cultuur, Universiteit Tilburg.
Lubliner en Scott (2007). Nourishing vocabulary. Thousand oaks, CA: Corwin press.
McCardle, P. & Chhabra, V. (2004). The voice of evidence in reading research. Baltimore: Brookes Publishing Company.
Verhallen M. & Verhallen S. (2000). Woorden leren, woorden onthouden. Handleiding voor leraren in basis- en voortgezet onderwijs. Amersfoort: CPS.
Vernooy, K. (2003). Een goede woordenschat; de basis voor een geslaagde schoolloopbaan. In: Jeugd in School en Wereld, jaargang 87, nummer 10, pagina 38-41.

17.2.98

De methode in het jaar 2010. Van papieren tijger naar elektronische assistent.

Door Jos Cöp

Methodes veranderen voortdurend. Er verschijnen nieuwe uitgaven, de leerstof wordt anders en ook de didactische ideeën gaan regelmatig op de helling. De kans is overigens niet denkbeeldig dat de verschuiving die de komende jaren in ‘methodenland’ plaats zal gaan vinden, zeer groot zal zijn. De ontwikkelingen op het gebied van de elektronische media gaan zo snel, dat er binnen een aantal jaren sprake kan zijn van een totaal andere vormgeving. Methodes zullen er heel anders uit gaan zien, maar dit wil niet automatisch zeggen dat de klassenpraktijk een volledig ander uiterlijk gaat krijgen.

Groep 3 in 2010
Om een voorstelling te maken van de ontwikkelingen die ons te wachten kunnen staan, verplaatsen we ons naar het jaar 2010. We gaan kijken in de klas bij juffrouw Ilse. Zij werkt op een school, gelegen in een gemiddelde wijk van een plaats met ongeveer 17.000 inwoners op de grens van de provincies Gelderland en Utrecht. Wij nodigen u uit om mee te gaan.
Pas om tien over negen bereiken we de school want ondanks het rekening rijden, de speciale spitsstroken en de in een experimenteel stadium verkerende sensorreguleringssystemen bestaan ze nog steeds: de files. Sterker nog, het is compleet onvoorspelbaar geworden waar en wanneer ze staan en daarom is het ook zeer moeilijk om een betrouwbare tijdsplanning te maken. Een alternatief is om niet lijfelijk aanwezig te zijn, maar te observeren via een videocamera en een on-line verbinding. Gewoon thuis de klassenpraktijk bekijken die zich 96 kilometer verderop bevindt. Was mogelijk geweest, maar we hebben er niet voor gekozen.
Als we dan eindelijk in de klas zijn, zien we een inrichting die helemaal niet zo anders is dan de klas anno 1998. Of het zou de lange wandtafel moeten zijn met in totaal 8 computers, die overigens wel opvallend weinig ruimte in nemen. Voor de rest zie je in deze groep 3 gewoon kasten met speelleermaterialen, ongelooflijk veel boeken en een aantal speelleerhoeken. De kinderen zijn op dit moment met allemaal verschillende zaken bezig: een aantal zitten er in de kring, een aantal werken er aan de computer en voor de rest zijn de hoeken goed bezet. Eén ding is overigens wel opvallend. De groep bestaat uit 21 kinderen. Later vertelt juf Ilse dat deze groep zelfs nog aan de grote kant is. Heeft dus echt resultaat gehad, die klassenverkleining tussen 1997 en 2007!

De instructie via het beeldscherm
Lesovergangen bestaan nog steeds want om kwart over negen neemt juf Ilse het woord, vraagt iedereen op te ruimen en plaats te nemen in de instructiehoek. Terwijl de kinderen opruimen werpt ze nog vlug een blik in de handleiding en zet de instructiecomputer aan. Het apparaat is grotendeels weggewerkt in de lessenaar en in plaats van een beeldscherm projecteert een LCD-projector een redelijk groot en haarscherp beeld op een scherm. De naam van het onderwijsleerpakket maakt snel plaats voor de aankondiging 'activiteit 17: naar de winkel'. Als iedereen zit, pakt de juf een draadloze muis, introduceert het lesonderwerp en de beoogde opbrengst. Vervolgens verschijnt een animatiefilmpje van Rikkie de Rekenaar. Hij gaat boodschappen doen, maar heeft moeite met het vinden van de juiste aantallen. Hij komt er zelf niet uit. Dus vraagt hij de kinderen om mee te zoeken naar oplossingen.

Voorgeprogrammeerde differentiatieroutes
De stoelen worden omgedraaid en in tweetallen wordt er driftig overlegd. Twee kinderen doen overigens niet aan dit overleg mee. Zij melden zich namelijk bij één van de computers. Deze staat reeds op hen te wachten en zal gedurende de rest van de les hun maatje blijven. Via deze computer gaan ze namelijk binnen hetzelfde thema aan de slag met leerstof die een niveau hoger ligt. Ze zullen dit voornamelijk zelfstandig doen, waarbij via het beeldscherm de opdrachten volgen. Een voorgeprogrammeerde differentiatieroute voor meer begaafde kinderen dus.

Samenwerkend leren
De rest van de kinderen gaat aan de slag met een werkblad waarop een drietal problemen van Rikkie staan. Deze vorm van samenwerkend leren vindt plaats in heterogene groepjes. 'Dat doen we zo om kinderen van verschillende niveaus veel van elkaar kunnen leren', geeft juf Ilse aan. 'Ze zoeken samen naar oplossingen en brengen elkaar zo op ideeën'. Deze werkvorm duurt een kleine tien minuten, waarna de stoelen weer omgedraaid worden. Dan worden de oplossingen, maar vooral de oplossingsstrategieën in de groep uitgewisseld. Een interactief moment van ongeveer tien minuten. Ilse zit erbij met de muis in haar hand. Als het moet, kan ze met een druk op de knop bepaalde werkwijzen van kinderen op de muur projecteren en laten verduidelijken. Makkelijk en ontzettend overzichtelijk. Hebben de makers van het onderwijsleerpakket dus al rekening mee gehouden. Aan het einde van het uitwisselingsmoment neemt Ilse het woord en herhaalt, ondersteund door afbeeldingen op de muur, een drietal mogelijke oplossingsstrategieën. De lesfase wordt afgesloten met opnieuw een korte animatie van Rikkie de Rekenaar. Hierin bedankt hij de kinderen voor hun hulp.

De instructiehoek
Een druk op de muisknop maakt nu dat er een werkblad op de muur geprojecteerd wordt. Dit wordt kort doorgesproken. Na deze bespreking vraag Ilse wie er nu zelf aan de slag kan en wie er nog liever even aan de instructietafel blijft zitten. Veertien van de negentien kinderen kiezen ervoor om zelfstandig de stof te gaan verwerken. Dus worden er 14 werkbladen uitgeprint. Deze kinderen nemen plaats aan de verwerkingstafels in de hoek bij het raam. De overige vijf blijven in de instructiehoek.
Na een hele korte rondgang gaat Ilse verder met de kinderen in de instructiehoek. Ondersteund door projecties op de muur vindt er een verlengd instructiemoment plaats. Na ongeveer tien minuten gaan deze kinderen echter ook met de verwerkingsstof aan de slag. Voor hen wordt een aanpast verwerkingsblad uitgeprint. De hoeveelheid leerstof is wat beperkter en ook de moeilijkheidsgraad is wat aangepast. De kinderen blijven aan de instructietafel zitten.

Digitale correctie
Ilse gaat nu naar de kinderen die al langer met de verwerkingsstof bezig zijn. Eén kind is klaar en maakt al aanstalte om het werkblad na te kijken. Dit doet ze door plaats te nemen achter één van de computers. Ze zet een koptelefoon op en via twee klikjes op de figuur Nettie Nakijker begint de sessie. Een hele korte sessie overigens, want de oplossingen verschijnen in beeld en via het stemgeluid van Nettie wordt een toelichting gegeven. Na enkele minuten is het karwei klaar. Eigenlijk is het een fluitje van een Euro. Het glunderende gezicht verraadt dat alle sommen goed waren. Langzamerhand zijn steeds meer kinderen klaar met de verwerkingsopgaven en haasten zich naar de computer om het resultaat te bekijken. Als dat is afgerond, dan zijn er voor iedereen de persoonlijke buffertaken die de motivatie hoog weten te houden.
Tegen het einde van de les gaat Ilse weer naar de instructietafel. Samen met de vijf kinderen die daar zitten, worden de gemaakte sommen nagekeken. Wederom ondersteund door geprojecteerde software.
Even voor de pauze aanbreekt, richt Ilse zich nog tot de twee kinderen die de het grootste gedeelte van de les met de stof voor meer begaafde kinderen bezig zijn geweest. Ze kiest er bewust voor om het gemaakte werk samen na te kijken. Al is het maar om een beetje van het ten onrechte ingeslepen gevoel van 'niet genoeg aandacht van de juf' af te komen.

Complete methode op cd-rom
In de pauze is er even tijd om met Ilse over de les en het gebruikte onderwijsleerpakket te praten. Meteen steekt ze van wal:
'Het is nog maar tien jaar geleden dat een methode bestond uit een gigantische hoeveelheid boeken: leerlingenboeken, werkboeken, kopieerboeken, oefenboeken en ga zo maar door. De leerstoflijnen liepen door het schriftelijk materiaal en soms was er een educatief softwareprogramma tegenaan geplakt. De huidige onderwijsleerpakketten zijn heel anders. Op één cd-rom staat alle stof voor 8 leerjaren. Via een handige bedieningsfunctie, waarbij je op het scherm dingen aanklikt kun je in alle onderdelen van het pakket komen. Je kunt alles rechtstreeks projecteren op een scherm en het leerlingmateriaal is tijdens de les uit te printen. Verder zijn de differentiatieroutes gewoon voorgeprogrammeerd. Stof voor meer begaafde leerlingen of juist voor kinderen die veel ondersteuning nodig hebben is via een klik met de muis te bereiken. In de les die jullie gezien hebben heb ik dan nog geen gebruik gemaakt van de links naar allerlei internetpagina’s. Dit zou minstens nog een vertienvoudiging van de beschikbare lesstof betekenen.'
Tijdens het gesprek vertelt ze ook nog een aantal andere dingen die wat ons betreft zeer opvallend zijn: 'Lang heb ik gedacht dat methodes altijd boeken zouden blijven. De software stelde namelijk helemaal niets voor. Veredelde spelletjes, meer niet. Ik vond het toen ook nauwelijks zinvol om me in een computer te verdiepen. Meestal stonden ze in het magazijn. Pas toen de software echt een onderdeel werd van de methode werd het interessant. Ook mede doordat de bediening zeer eenvoudig werd. Ik als 'computer-leek' kon er zo mee aan de slag. En nu zie je dat de software de kern van het onderwijsleerpakket is geworden. Dat scheelt me veel tijd en ik ben er zeker enthousiast over.'
Uiteraard zijn we ook zeer geïnteresseerd in de negatieve ervaringen. Ook daaraan is namelijk geen gebrek. 'Het kan ook doorslaan', vervolgt Ilse. 'Er zijn pakketten die te ver gaan. Veel toeters en bellen omdat die technisch allemaal mogelijk zijn. Dat vind ik niet interessant, want het blijven allemaal hulpmiddelen. Functioneel moet het zijn en eenvoudig. En nog iets anders. Sommige uitgevers menen dat boeken helemaal niet meer bij een methode horen. Nou, wat mij betreft zal er altijd een papieren handleiding moeten blijven. En de reden daarvoor is heel simpel. Ik ben geen computerfreak en zal dat ook nooit worden. Thuis heb ik zo'n apparaat dus niet. En om toch thuis m’n lessen te kunnen voorbereiden, wil ik gewoon door een handleiding kunnen bladeren.
Ook is er nog iets anders waar ik neutraal tegenover sta. Omdat het onderwijsleerpakket nu hoofdzakelijk digitaal is, komen er voortdurend nieuwe versies. Iedere drie jaar komt er een vernieuwde uitgave op de markt. Leuk omdat alles actueel blijft, maar iedere keer is het toch weer een behoorlijke klus om je alle veranderingen eigen te maken. Als je zo’n beetje alle lessen kent, dan worden ze weer veranderd. Jammer, maar het schijnt erbij te horen.'
Veel vragen hebben we niet gesteld, maar de pauze is wel voorbij. Tijd voor ons om weer te vertrekken, al was het maar omdat het parkeerbeleid in de betreffende gemeente vrij streng is. Niet vergunninghouders moeten binnen twee uur de parkeerplaats weer verlaten hebben. Eenmaal vertrokken rijden we niet alleen naar huis, maar belanden tevens weer in het jaar 1998.

Het bovenstaande fictieve klassenbezoek geeft een indicatie van een methode of onderwijsleerpakket in 2010. Uiteraard is het geschetste plaatje niet alleen het gevolg van de vormgeving van het pakket, maar er zijn eveneens een aantal schoolkenmerken meegenomen. Op deze school is sprake van een redelijk homogene leerlingpopulatie. De verschillen in de klas zijn niet zo groot dat een vorm van convergente differentiatie (dezelfde leerdoelen per les voor nagenoeg alle leerlingen) onmogelijk is. Op scholen waar die verschillen wel zodanig groot zijn, zal het beeld er dus ook anders uitzien. De methode zal daar minder groepsgewijs en nog meer gedifferentieerd gebruikt worden. En het feit dat het hierbij toch om een fors aantal scholen gaat, maakt dat methodenmakers hier nadrukkelijk rekening mee moeten gaan houden.