5.2.07

In iedere klas een digitaal schoolbord?

Ja, beslist. Al zal het nog wel even duren voor het een feit is.

We hebben er even op moeten wachten, maar het komt er nu toch echt aan: het digitale schoolbord. Weg krijt, weg borstel, weg stof, weg stoffig imago. Twintig jaar ict-vernieuwing in het onderwijs zullen verbleken bij wat het digitaal schoolbord aan toegevoegde waarde kan gaan brengen. Dat was overigens ook niet zo moeilijk, want de introductie van de personal computers in het onderwijs was en is nog steeds een moeizame zaak. Meer dan een computertje of drie zie je zelden in de gemiddelde basisschoolklas. Eindelijk gaat de techniek zich aanpassen aan de praktijk. De techniek vertelt de leerkracht niet langer dat de klas anders georganiseerd moet worden, maar gaat aansluiten bij de alledaagse werkelijkheid in de klas. Of anders gezegd: inidvidualiseren is niet meer het uitgangspunt en interactief klassikaal onderwijs mag weer.

Toch zit er ook een behoorlijk gevaar aan de huidige ontwikkelingen inzake het digitale schoolbord. Veel inspanningen om in iedere klas een dergelijk bord te plaatsen, gaan namelijk uit van een historisch achterhaald uitgangspunt, namelijk dat de leerkracht zijn lessen wel bij elkaar zal gaan grabbelen. Al surfend op het internet bijvoorbeeld.
De afgelopen decennia is aangetoond dat deze manier van construeren van onderwijs enorme beperkingen heeft. Het kost onverantwoord veel tijd en vraagt om topleerkrachten op alle fronten. Dat moeten we dus niet willen. Niet voor niets wordt 85 procent van de lessen in het basisonderwijs aangeboden vanuit een methode. Het wachten is dus op de nieuwe generatie methoden. Methoden voor het digitale schoolbord. Ze zullen er komen en sneller dan iedereen verwacht.

Is klassikaal onderwijs vies?

Je zou het bijna denken.

Maar niets is minder waar. Klassikaal onderwijs is geen tragische vergissing die de onderwijsdenkers in de loop der jaren hebben gemaakt. Het is een verworvenheid die in extreme mate bijgedragen heeft aan de huidige kwaliteit van het Nederlandse onderwijssysteem. Jammer dat het zo vaak anders gezien wordt.

Voordat in 1806 het klassikaal onderwijs gemeengoed ging worden, was er in Nederland sprake van hoofdelijk onderwijs. Ieder ‘hoofd’ leerde daarbij in eigen tempo en meldde zich van tijd tot tijd moederziel alleen bij de lessenaar van de onderwijzer. Mede door de enorm grote klassen en de gebrekkige materiële voorzieningen was deze organisatievorm van het onderwijs weinig succesvol. Om daadwerkelijk tot een verbetering te komen, bleek het essentieel om het onderwijs nadrukkelijker te organiseren rond een actief optredende leerkracht. Het klassikale onderwijssysteem was geboren.

Is klassikaal onderwijs ideaal? Nee, om de simpele reden dat een organisatievorm waarin onderwijs wordt aangeboden nooit ideaal kan zijn. Altijd zijn er voordelen en nadelen. Net als bij het kiezen van een woonplaats, het bepalen van een vervolgstudie en het selecteren van je schoonmoeder. Het grote voordeel van klassikaal onderwijs is wel dat een groot aantal leerlingen tegelijkertijd kan profiteren van uitleg, begeleiding en andere vormen van ondersteuning van een leerkracht. Iets dat in een situatie waarin kinderen alleen maar zelfstandig leerstof doorwerken maar beperkt het geval kan zijn.

Maar ook klassikaal onderwijs kent zijn uitwassen. Het kan verworden tot een schouwspel waarbij de leerkracht zich te pletter praat, zonder in de gaten te hebben dat de leerlingen reeds in het begin van zijn monoloog de betrokkenheid verloren en afhaakten. De opbrengst van de leeractiviteit is dan om precies te zijn nul. Niet meer en niet minder.

De kern van een effectieve organisatievorm in de klas is nauw verbonden met het woord actief. Actief leren om precies te zijn. En hoe leren kinderen actief? Daarin zijn belangrijke verschillen waar te nemen. Sommige kinderen doen dit door vooral zelfstandig te leren, terwijl andere juist gemotiveerd en geprikkeld blijven als ze voortdurend geïnspireerd en begeleid worden door een leerkracht.

Wat betekent dit voor het taalonderwijs en de methoden die hierbinnen gebruikt worden? Dat is eigenlijk heel simpel. Zoek het in de organisatorische veelzijdigheid. Kies voor een methode die zo adaptief in elkaar zit dat de organisatievorm van de lessen afgestemd kan worden op wat de individuele leerlingen nodig hebben. Het moet dus mogelijk zijn om kinderen zelfstandig door de lessen te laten gaan (individueel of samenwerkend met een ander kind), maar exact dezelfde les moet ook begeleid (klassikaal of aan een groepje) aangeboden kan worden. Het bewijs dat het kan, leveren de methoden Taal in beeld en Spelling in beeld.

En wat is het uiteindelijke resultaat? Juist ja, de feitelijke keuze voor organisatievorm waarin de les gegoten zal worden, wordt op de juiste plaats genomen. Dichtbij de kinderen, met kennis van hun sterke en zwakke kanten en rekening houdend met hetgeen de voorbije lessen wel of niet succesvol was. Kortom, de verantwoordelijkheid ligt weer waar ze hoort te liggen, daar waar alle noodzakelijke informatie samenkomt, daar waar het onderwijs een hart krijgt! Inderdaad, bij u, de inspirerende leerkracht.

15.1.07

Toetsen we straks alles digitaal?

Dat is maar de vraag.

De vraag? Waarom dan? Is het toetsen, nakijken en krijgen van een vervolgadvies via de computer dan geen prachtige verworvenheid?

Jawel, dat is het zeker. Digitaal toetsen biedt zoveel voordelen dat het absoluut toekomst heeft. Het is één van de meest functionele manieren om de computer in te zetten binnen het onderwijs en zal daardoor een grote vlucht nemen. De allernieuwste taalmethoden bevatten digitale toetsen en in het verlengde hiervan gebeurt ook het nakijken en benoemen van bijpassende vervolgactiviteiten automatisch. Doen dus, dat werken met digitale toetsen. De kinderen maken de toetsen aan de computer en de overzichten voor de leerkracht en het vervolgwerk voor de leerlingen staat in een handomdraai klaar. Prachtig.


Maar is het allemaal goud wat er blinkt? Nee, helaas niet. De ketting is namelijk net zo sterk als de zwakste schakel. Die schakel zit niet in de digitale toets. De kinderen klikken de antwoorden bij elkaar en de toetsresultaten zijn snel beschikbaar. Maar dan komt de schakel waar we met z’n allen voor moeten vrezen: de verbinding van de toetsresultaten met de geadviseerde vervolgactiviteiten. Scoort een kind goed, dan is er geen probleem. Al krijgt het kind het advies om spruitjes te gaan plukken in de schooltuin, het maakt niet uit. De buit is al binnen.
Maar is de score van het kind onvoldoende, dan verandert de zaak. Dan is er dus iets misgegaan dat rechtgezet moet worden. Er zijn leerdoelen gesteld die het kind niet bereikt heeft. Dat is andere koek. Het alsnog bereiken van die doelen kan alleen maar gebeuren met een zorgvuldige en krachtige aanpak waarbij de vervolginstructie en de aanvullende oefening direct is afgestemd op het probleem van het individuele kind.

Op dit punt falen de meeste initiatieven op het gebied van digitaal toetsen. Het vervolgadvies wordt meestal gegeven in termen van ‘maak kopieerblad zeven' of oefen met het computerspelletje ‘lettergreepje pesten.’ Alsof een kind door een luttel oefeningetje ineens het licht ziet. We weten met z’n allen wel beter. Een zinvol vervolgadvies voor deze kinderen, zal altijd gebaseerd moeten zijn om aanvullende instructie en aanvullende oefening. Heeft het digitale toetssysteem dit niet voor ons in petto, dan is de meerwaarde wel heel beperkt. Of misschien zelfs wel totaal afwezig. Het staat allemaal stoer, maar betekent geen moer. Denken we hier niet goed over na, dan is digitaal toetsen een regelrechte valkuil. Veel zaken mag je automatiseren, graag zelfs. Maar het denken niet.

5.1.07

Leg ik uit of laat ik ontdekken?

Beide, mag ik hopen. Het maakt het onderwijs veelzijdiger, boeiender en effectiever. Waarom zouden we met minder genoegen nemen?

Daar waar het leren binnen de muren van de school minder effectief is, zie je vaak een wat lachwekkende tegenstrijdigheid. Lekker simpel gezegd speelt het volgende: er wordt teveel uitgelegd of er wordt te weinig uitgelegd.
Te weinig uitleggen, betekent dat de leerlingen teveel aan hun lot overgelaten worden. Het aloude gezegde ‘oefening baart kunst’ gaat namelijk maar in een beperkte mate op. Het is een gebrekkige en weinig slagvaardige kijk op leren die nogal eens uitmondt in het tafereel dat de kinderen oefeningen voorgeschoteld krijgen met het ultieme doel om ze bezig te laten zijn. Wat de precieze bijdrage is van het uitvoeren van deze taken aan de ontwikkeling van een kind, is de niet gestelde vraag. Jammer, want het onderwijs kan zoveel meer te bieden hebben. Alleen gerichte oefening baart namelijk kunst.
Ook teveel uitleggen is een onwenselijk verschijnsel. Het kan makkelijk ontaarden in frontaal, klassikaal onderwijs, waarbij de leerkracht vervalt in één lange monoloog. De werkvorm wordt daarmee zodanig eenzijdig dat veel kinderen er niet in zullen slagen om betrokken te blijven en te luisteren. Het resultaat laat zich voorspellen: de leeropbrengst is nihil. Een duidelijker voorbeeld dat ook hier overdaad schaadt, is niet te vinden.

Maar waar ligt dan het ideale evenwicht? Wanneer laat ik ontdekken en wanneer leg ik uit?
De basis van alle leren, is het ontdekken. Je gaat structuur zien in wanorde, ziet systeem in de chaos en bouwt zo stap voor stap voort op reeds aanwezige kennis en vaardigheden. Veel van deze leeractiviteiten gebeuren spontaan en onvoorspelbaar, zij het dat je ze wel uit kunt lokken door kinderen in een rijke leeromgeving te brengen. Zitten ze in die leeromgeving, dan wil dit niet zeggen dat alle kinderen volledig zelfstandig tot leren komen. Sommige wel, maar andere zullen hierbij regelmatig een duwtje nodig hebben. En dit zetje kun je als leerkracht geven, bijvoorbeeld door dingen (interactief) uit te leggen en heel expliciet te maken. Naarmate de te ontdekken logica in leerstof minder is of minder makkelijk te ontdekken is, neemt het belang van instructie toe. De kenmerken van een advertentie kun je ontdekken, maar de schrijfwijze van het woord ei moeilijk. Deze is simpelweg gebaseerd op een afspraak tussen mensen. Jammer voor het kind en voor de kip, maar de korte ei ontdekken is wat lastig. Iemand die je uitlegt dat het een woord is dat je moet inprenten, draagt meer bij aan het leren dan een ontdekdoos met tien scharreleieren.

Wat betekent dit alles voor een taalmethode? In ieder geval een grondige nuancering van het meest gebruikte lesmodel in taalmethoden, waarin na een minimale introductie meteen het instructiemoment van de les volgt. Het is heel goed mogelijk om de introductie van de les uit te laten groeien tot een activiteit waarin kinderen zich een groot gedeelte van de lesinhoud ontdekkend eigen maken. Je kunt ontdekken wat de kenmerken van een gedicht zijn of waar en waarom je hoofdletters, punten en komma’s zet. Na deze ontdekkende activiteit ligt er een stevige fundering, waaraan een korte, samenvattende instructie toegevoegd kan worden. Vervolgens kunnen de kinderen met het geleerde aan de slag gaan. En wat is het gevolg? Juist, de kinderen worden eerst uitgedaagd om zelf tot leren te komen. Wil dat niet lukken, dan is er altijd nog het samenvattende vangnet van het instructiemoment. Nog leuker kunnen we het niet maken. Gemakkelijker ook niet!

1.12.06

Hoe kunnen kinderen echt zelfstandig leren?

Heel eenvoudig: door ze serieus te nemen en toegang te geven tot alle lesstof.

Iedere methode vertelt het je. De Kinderen kunnen er heel goed zelfstandig mee werken. Oh, ja? Hoe dan? "Nou dat is simpel. In het werkboekje staan per les een paar opdrachten en daarbij is de juf niet nodig. Die kunnen de kinderen zelf maken en de juf kan zich dan op andere dingen richten. En natuurlijk les 7 van iedere eenheid. Dat is de speciale zelfstandig-werk-les."

Hoera, gefeliciteerd, proficiat en nog vele jaren. Maar wat is de achterliggende waarheid. Alle andere lessen en lesmomenten kan het dus niet. Niks zelfstandig werken, laat staan zelfstandig (leerkrachtonafhankelijk) leren.

Maar waarom dan? Omdat het altijd zo geweest is? Is dat een reden? Nee. Kan het anders? Ja, nu meteen zelfs. De grootste belemmering van het zelfstandig leren met taalmethoden zit hem in het zogenaamde omweg-principe. Bij het grootste gedeelte van de lessen vertelt de handleiding aan de leerkracht wat hij de kinderen moet vertellen. Dus is de leerkracht de verbindende schakel en het centrale element in iedere taalles. Dus hoezo nou zelfstandig leren?

Maar hoe dan wel? Laat de methode zoveel mogelijk dingen rechtstreeks aan de kinderen vertellen. Zet de complete les (de doelstellingen, de introductie, de uitleg, de verwerking en de evaluatie) in het leerlingmateriaal. En wat is het effect? Iedere les kan door leerlingen zelfstandig gedaan worden. Individueel of samenwerkend met een ander kind. Maar vind je het als leerkracht beter om een bepaalde les gewoon samen klassikaal te doorlopen? Geen probleem. Leg het leerlingmateriaal open en wandel er gezellig interactief doorheen. Niets houd je tegen om dat te doen. De uiteindelijke opbrengst: het echte differentiëren kan beginnen. De kinderen kunnen zelfstandig leren waar het kan en krijgen begeleiding waar het moet. Iedere les opnieuw. Een kind kan de was doen.