1.4.08

Niets werkt altijd. Is zelfstandig leren beter dan een klassikale aanpak?

Door Jos Cöp

Het onderwijs in de klas kan op vele manieren ingericht worden. Het ene uiterste is de klassikale benadering, waarbij de leerstof aan de hele groep tegelijk wordt aangeboden en kinderen in de verwerking een beperkte tijd zelfstandig zullen werken. Dit kan een prima werkwijze zijn, maar bij nogal wat scholen werkt deze manier van werken steeds minder omdat de verschillen tussen kinderen in de groepen simpelweg te groot zijn. De onderwijsbehoeften verschillen teveel, waardoor kinderen boven of onder hun niveau aangesproken worden en daardoor afhaken. Het resultaat: een weinig effectieve les die snel onorganiseerbaar kan worden.
Het andere uiterste is de individuele benadering, waarbij iedere leerling zelfstandig werkt aan eigen taken en hierbij afzonderlijk ondersteuning krijgt. Geen gemakkelijke opgave voor een leerkracht en de gevaren van didactische verwaarlozing, doelloos zelfstandig werken en gebrek aan instructie liggen nadrukkelijk op de loer. Ook deze inrichting van het onderwijs kan gemakkelijk ontaarden in een weinig effectieve en onorganiseerbare klassensituatie.

De discussie tussen de aanhangers van beide inrichtingswijzen is interessant, maar tegelijk een vergeefse zoektocht naar die ene massa-oplossing die altijd werkt. Overal in onze samenleving is waar te nemen massa-oplossingen juist plaats maken voor een meer flexibele oplossingen die beter afgestemd kunnen worden op de behoeften van mensen. Denk bijvoorbeeld aan de 24 smaken koffie in de supermarkt, het persoonlijke hypotheekadvies, de zorg op maat-benadering van zorgverzekeraars en het televisiekanaal voor hondenbezitters. Het onderwijs is een deel van deze samenleving en ook de onderwijsleerbehoeften van kinderen verschillen behoorlijk. Het is de uitdaging voor iedere school om hier flexibel mee om te gaan, zonder het meest belangrijke, het bieden van onderwijs van uitstekende kwaliteit, uit het oog te verliezen.

Onderwijsmethoden kunnen scholen daarbij helpen door een kwalitatief hoogstaand basisprogramma te bieden en op een organisatorisch goed doordachte manier aan te bieden. Hierbij is flexibiliteit een voorwaarde, want daardoor wordt een methode precies wat het moet zijn: een passend hulpmiddel dat een leerkrachten veel werk uit handen kan nemen. Moderne goed doordachte methoden doen dit door een compact basisprogramma aan te bieden. Het betreft leerstof die alle kinderen zullen moeten beheersen conform de kerndoelen die de overheid aan de scholen stelt. Deze leerstof moet dan terug te vinden zijn in het leerlingmateriaal en niet, zoals veel te vaak het geval is, gedeeltelijk zijn opgeborgen in de tekstkolommen van de handleing, waardoor de zelfstandigheid van leerlingen belemmerd wordt. Staat de hele les in het leerlingmateriaal, dan kan de leerstof in drie organisatievormen worden aangeboden: zelfstandig lerend, samenwerkend lerend of begeleid. De keuze voor de best passende werkwijze kan het best gemaakt worden op de plek waar de daadwerkelijke behoeften van de kinderen het best kunnen worden ingeschat. In de klas en door de leerkracht.

In het artikel “Juf, ben ik in beeld? Vijf onderwijskundige voorwaarden voor goed taal- en leesonderwijs” zal nader worden ingegaan op de zaken die uiteindelijk bepalen hoe het onderwijsaanbod zo goed mogelijk kan worden afgestemd op wat kinderen nodig hebben.

28.3.08

Juf, ben ik in beeld? Vijf onderwijskundige voorwaarden voor goed taal- en leesonderwijs.

Door Jos Cöp

Is het Nederlands basisonderwijs nou slecht of niet? Kunnen kinderen aan het einde van de basisschool nu wel of niet in voldoende mate lezen, spellen en rekenen? Komen de juffen en meesters ongeschoold van de Pabo of hebben ze wel degelijk voldoende bagage om de kinderen het beste mee te geven? Allemaal vragen die de afgelopen tijd op één of andere manier de voorpagina van de landelijke dagbladen wisten te halen. Nu is klagen of de kwaliteit van het onderwijs van alle tijden, maar het ontslaat niemand van de plicht om oplossingen te zoeken voor geconstateerde problemen. Laten we inzoomen op het taal- en leesonderwijs, waarbij de kwaliteit optimaal kan worden door gewoon rekening te houden met vijf relatief eenvoudige en tijdloze uitgangspunten. Uitgangspunten die maken dat de onderwijsbehoeften van individuele kinderen in beeld zijn en gekoppeld worden aan een voor leerkrachten haalbare didactiek en realiseerbare klassenorganisatie. De vijf punten op een rijtje.

Bied alle kinderen een compact en compleet basisprogramma.
Het lesrooster van de meeste Nederlandse basisscholen is de afgelopen jaren steeds voller geworden. Helaas geldt hierbij niet het gezegde ‘hoe meer hoe beter’. Het omgekeerde komt dichter in de buurt: overdaad schaadt. Het leidt tot oppervlakkige, gehaaste lessen waarbij niet het beheersen maar het aangeboden hebben van de leerstof het ultieme doel is geworden. Daarnaast is herhaling hierbij gedegradeerd tot een onbekend verschijnsel in de marge. Om dit te voorkomen zien we momenteel een teruggang naar compacte basisprogramma's, die op een efficiënte manier afdekken wat conform de kerndoelen van de overheid aangeboden dient te worden. Dit is de basis van het curriculum, wellicht aangevuld met een aantal zaken die als facultatieve keuzestof kunnen worden toegevoegd.

Stel voortdurend vast wat kinderen al wel of niet kunnen.
Ieder kind is anders en hetzelfde geldt voor zijn of haar taalontwikkeling. Om voortdurend te kunnen bewaken of een leerstofonderdeel (nogmaals) aangeboden moet worden, is het noodzakelijk om continue te bewaken of een kind de leerstof beheerst. Dit kan door middel van een voortoets, tussentijdse observatie of een natoets.
Met een voortoets kan vastgesteld worden of de leerstof die nog aangeboden gaat worden voor het kind niet al gesneden koek is. Wanneer dat het geval is, kan er voor gekozen worden om de betreffende leerstof niet aan te bieden. Het probleem is alleen dat niet alle onderdelen van de taalonderwijs op een harde manier getoetst kunnen worden. Dat is wel mogelijk bij het onderdeel woordenschat, spelling en aantal elementen van taalbeschouwing. Bij de onderdelen schrijven (stellen) en spreken/luisteren is het veel minder het geval. Het is dus de vraag of het niet aanbieden van de leerstof een verantwoorde keuze kan zijn. Dit zal van geval tot geval bekeken moeten worden. Aan de hand van de voortoets kan echter ook vastgesteld worden of een kind bij de nog volgende leerstof (veel) behoefte zal hebben aan begeleiding. Scoort een kind goed op het betreffende onderdeel, dan is het verantwoord om het meer zelfstandig te laten leren.
Tussentijdse observatie is een breed begrip. Alle acties die ondernomen worden om vast te stellen of een kind er iets van bakt, vallen onder deze noemer, ook al hebben ze niet de status van een formele toets. Observatie is een vaak zeer laagdrempelige en deels intuïtieve manier om te zien of horen of het kind vorderingen maakt. Op basis van deze tussentijdse conclusies kunnen vervolgacties worden vastgesteld.
De natoets is de meest gebruikte manier om vast te stellen of kinderen de aangeboden leerstof daadwerkelijk opgepikt hebben. Op deze manier wordt bepaald of het nodig is om de leerstof nogmaals te herhalen. Tevens kan de natoets gebruikt worden om het kind te beoordelen en de scores door te vertalen naar rapportpunten.

Zorg dat alle kinderen de noodzakelijke instructie krijgen.
Het opdoen van kennis en het beheersen van vaardigheden is in veel gevallen afhankelijk van het krijgen van instructie en het automatiseren door middel van oefening. Instructie krijgen kan op verschillende manieren en wordt vaak ten onrechte gelijkgeschakeld met een pratende leerkracht. Er zijn namelijk veel meer manieren om dingen uit te leggen dan verbale interactie gestuurd door de leerkracht, al is dit in veel situaties wel de meest directe manier. Uitleg kan ook door kinderen lezend tot zich worden genomen en in steeds meer gevallen zien we ook dat digitale uitleg met behulp van een computer (ondersteund door beeld en audio) een prima alternatief kan zijn. Dit is zeker verantwoord bij kinderen die minder moeite hebben om de leerstof te begrijpen, maar bij hun klasgenootjes die meer problemen vertonen op dit vlak blijft directe interactie met anderen de voorkeur hebben. In veel gevallen zal het hierbij gaan om een leerkracht, maar samenwerkend leren met een medeleerling biedt in een aantal situaties ook goede mogelijkheden om de noodzakelijke uitleg te krijgen.

Bied kinderen voldoende oefening en herhaling.
Instructie krijgen is voor veel leerlingen een belangrijke voorwaarde om tot leren te komen, maar uiteraard is het ook belangrijk om zaken te automatiseren door te oefenen en (veelvuldig) te herhalen. Met name het herhalen is iets dat vaak onvoldoende gebeurt. Leesstrategieën of oplossingen voor spellingproblemen leer je niet door ze één keer toe te passen. Daar is meer tijd en meer stof voor nodig, waarbij het heus niet altijd hoeft te gaan om unieke afwijkende leerstof die kinderen nog niet eerder hebben gezien. Juist de herkenbaarheid van de herhaling, het opnieuw horen van dezelfde uitleg en dezelfde oplossingswijze, maakt dat kinderen de leerstof gaan oppikken. Het uitleggen van de regels van de open en gesloten lettergrepen vraagt voor de meeste kinderen om veel herhaling. Als dan tussentijds nog van aanpak wordt veranderd, waarbij het ineens niet meer gebeurt via een klankgroepenbenadering maar op basis van de afwijkende analogie-oplossing, begint voor een aantal kinderen het moeizame proces van automatisering van vooraf aan.

Zorg ervoor dat kinderen betrokken zijn bij wat ze leren.
Betrokkenheid is een voorwaarde om tot leren te komen. Iets dat geen enkele interesse opwekt, is buitengewoon moeilijk op te nemen. Alleen al omdat de motivatie ontbreekt die nodig is om een inspanning te leveren. Toch is het begrip betrokkenheid op sommige scholen een eigen leven gaan leiden en lijkt het daarmee een doel op zich te zijn geworden. Alsof het betrokken bezig zijn automatisch zou leiden tot succesvolle schoolloopbaan en een voortvarende ontwikkeling. Alsof de leerdoelen en de leerstof er minder toe zouden doen en het kind vanuit een interne motivatie en verregaande keuzevrijheid vanzelf terecht komt bij alle belangrijke leerstofonderdelen. Helaas is dit vaak niet het geval, want er zijn nou eenmaal een aantal onderdelen in het basisschoolcurriculum die niet altijd boeiend gemaakt kunnen worden, maar wel belangrijk zijn voor de persoonlijke ontwikkeling van kinderen. Ooit een kind ontmoet wiens hobby bestaat uit de werkwoordspelling in combinatie met de tafels van vermenigvuldiging? Als er leerstofonderdelen aan de orde zijn die maar moeilijk kunnen leiden tot motivatie van binnenuit, dan zijn er altijd nog didactische mogelijkheden om de leerlingen scherp te houden. Veelal is een snelle en onvoorspelbare beurtverdeling tijdens een instructie een prachtig middel om veel kinderen tegelijkertijd betrokken te houden. Ze moeten wel, want de volgende vraag kan aan hen gesteld worden. En het geven van het juiste antwoord motiveert altijd. Dingen goed doen verveelt nooit en geeft altijd een goed gevoel.

We beschreven vijf uitgangspunten die een basis kunnen zijn voor kwalitatief goed taal- en leesonderwijs. Onderwijs waarin een compact programma centraal staat en er sprake is van een voortdurende resultaatmeting als basis voor vervolgacties, want meten is weten. Maar ook de betrokken leerhouding kan nooit uit beeld zijn, want het is een onmisbare schakel als het gaat om het maximaal profiteren van de geboden ontwikkelingskansen. En met minder mogen we geen genoegen nemen.

9.1.08

Woordenschatonderwijs en de computer

Door Jos Cöp

Inleiding
Nieuwe woorden aanleren, is een heel belangrijk onderdeel van het woordenschatonderwijs. Maar dit is niet alles. Dat goed woordenschatonderwijs breder is, bespraken we in het artikel “Alles draait om woordenschat”. Momenteel zien we dat de computer een steeds prominentere plaats in gaat nemen binnen dit vakgebied. In dit artikel zullen we nagaan hoe de moderne technologie van toegevoegde waarde kan zijn.

De organisatie
De discussie over het werken met de computer in de klas gaat vaak over de organisatie. “Hoe doe ik dat met mijn drie computers achterin de klas?”, is een terechte vraag die een softwaremaker altijd kan verwachten. Enige bescheidenheid is hier zeker op zijn plaats. Toch is het wel opvallend om te zien dat de gekozen organisatievorm vaak beperkt blijft tot één kind achter één computer. Lekker overzichtelijk en individuele leerresultaten zijn goed te volgen, maar tegelijkertijd is er weinig gerichte interactie tussen kinderen. En drie kinderen hebben het volledige computerpark nodig.
Dit wordt al anders als we twee leerlingen samen achter de computer laten werken. Dan ontstaat er al snel meer interactie en kunnen het dubbele aantal kinderen met een pc werken. Wel is het belangrijk om te bewaken dat de rolverdeling er één is waarbij beide kinderen iets aan hebben. Verzint het ene kind alle antwoorden en is de rol van het tweede kind alleen maar het ja-knikken, dan valt er nog heel wat te verbeteren.
Naast individueel en samenwerkend leren met een computer, wordt het momenteel ook steeds gemakkelijker om met meer kinderen tegelijk te leren met behulp van een computer. Het belangrijkste hierbij is dat er zaken groot geprojecteerd kunnen worden. Steeds meer scholen maken de keuze om hiervoor gebruik te maken van een elektronisch schoolbord, maar het blijft de vraag of deze aanschaf een voorwaarde is. Inventieve leerkrachten werken al jaren op deze manier. Gewoon door hun laptop te verbinden met de tv of door een fors computerbeeldscherm centraal neer te zetten. Natuurlijk maakt een ‘digibord’ het allemaal veel mooier, maar noodzakelijk is het niet. Begeleid onderwijs met behulp van een computer biedt veel mogelijkheden voor interactie en hoeft zeker niet te vervallen in frontaal klassikaal onderwijs.

Woordenschatonderwijs in vier lagen
Woordenschatonderwijs wordt vaak geassocieerd met het aanleren van woordbetekenissen. Alhoewel dit een belangrijk onderdeel is, zijn er veel meer leeractiviteiten die een positieve invloed hebben op het vergroten van de woordenschat van kinderen. We kunnen daarbij vier lagen onderscheiden, die samen staan voor evenwichtig woordenschatonderwijs. Bij iedere laag kunnen we nagaan wat de bijdrage van de computer zou kunnen zijn.


De vier lagen van het woordenschatonderwijs.

Het onderwijsleerklimaat
Een eerste laag heeft te maken met het onderwijsleerklimaat en de talige omgeving die een school te bieden heeft. Deze omgeving moet rijk ingericht zijn zodat kinderen veel met taal in aanraking komen, waardoor ze op ongedwongen wijze in contact kunnen komen met veel woordbetekenissen in een authentieke context. Op deze manier ontwikkelt zich het woordbewustzijn, krijgen ze interesse in woorden en groeit hun woordenschat zonder dat er sprake is van gerichte instructie. Als het gaat om deze zaken dan kan ict een geweldige bijdrage leveren, waarbij in eerste instantie gedacht moet worden aan het gebruiken van geschikte websites op het internet. Vele mooie, talige en uitdagende sites kunnen in de reeds genoemde organisatorische varianten een bijdrage leveren aan het talige onderwijsleerklimaat, waardoor kinderen in een authentieke omgeving steeds weer veel nieuwe woorden tegen zullen komen. Denk bijvoorbeeld aan online encyclopedieën als Wikipedia (http://www.wikipedia.nl/) of wikikids (http://www.wikikids.nl/), waarbij de leerlingen niet alleen informatie op kunnen zoeken, maar ook informatie en begrippen toe kunnen voegen. Uiteraard kunnen zoekmachines voor kinderen, zoals Davindi van Kennisnet, hierbij een rol spelen.
Verder zijn er op het internet veel educatieve sites die stuk voor stuk een enorme stimulans voor de woordenschat kunnen zijn. De sites van Het Klokhuis (http://www.hetklokhuis.nl/), Sesamstraat (http://www.sesamstraat.nl/) en Willem Wever (www.willemwever.nl) zijn slechts enkele geschikte voorbeelden.
Momenteel is er ook een tendens te zien waarbij prentenboeken geanimeerd en met geluid verrijkt worden. Een prima manier om jongere kinderen met veel woorden te confronteren op momenten dat (interactief) voorlezen even niet kan. De site van Levende boeken (http://www.levendeboeken.nl/) laat een aantal mooie voorbeelden zien.
Verder zijn er nog de videosites die een stormachtige ontwikkeling doormaken. Vrijwel ieder trefwoord levert interessant beeldmateriaal op dat meer vertelt over een woord dan een uitgebreide uitleg van een leerkracht. Sites als You Tube (http://www.youtube.nl/), Klassetv (http://www.klassetv.nl/), Teleblik (http://www.teleblik.nl/) en Schooltv (http://beeldbank.schooltv.nl/) zijn goede en bruikbare voorbeelden.
Een andere positieve bijdrage van ict aan het talige onderwijsleerklimaat heeft te maken met de c, namelijk het communiceren. Door ict gericht in te zetten bij het communiceren, passeren op een heel natuurlijke manier nog veel meer woordbetekenissen, bijvoorbeeld door te mailen, te chatten, berichtjes voor op een website te schrijven, geluidsbestanden in te spreken of presentaties te maken.

Vaardigheden en strategieën
De tweede laag van woordenschatonderwijs is de aandacht voor strategieën en vaardigheden om de betekenis van woorden die nog onbekend zijn af te kunnen leiden en onthouden. Veel kinderen ontdekken niet spontaan hoe de betekenis van een woord afgeleid kan worden uit beeld, uit de woordbouw of uit de omringende tekst. Hetzelfde geldt voor het opzoeken en navragen van de betekenis van woorden en het ondernemen van activiteiten om woorden beter te onthouden. Instructie is hierbij voor veel kinderen noodzakelijk en deze is vaak terug te vinden in moderne taalmethoden, maar een bijdrage van de computer hierbij is er niet of nauwelijks. Het internet en de sites zoals eerder genoemd zijn vervolgens wel een prima omgeving om de geleerde strategieën en vaardigheden toe te passen.

Aanleren van nieuwe woorden
De derde laag is gericht op het aanleren van woordbetekenissen. Als we het vanuit een ict-perspectief bekijken, is dit het domein van de woordenschatprogramma’s waarmee kinderen woordbetekenissen uitgelegd krijgen en waarmee ze gaan oefenen. Er zijn programma’s in vele soorten en maten: wel of niet methodegebonden, met en zonder mogelijkheden om zelf woorden in te brengen en ga zo maar door. Kwalitatief goede woordenschatsoftware kenmerkt zich doordat er sprake is van veel effectieve leertijd en veelzijdige instructie van de woordbetekenissen.

Effectieve leertijd
Er is sprake van veel effectieve leertijd als de instructie- en oefentijd vooral gericht is op woorden die de kinderen nog niet kennen. Dit lijkt een enorme open deur, maar de alledaagse praktijk in veel computerprogramma’s is dat de leerlingen intensief aan de slag gaan met alle woorden die in de database staan. Alle woorden komen achtereenvolgens terug in de woordspellen en in de instructie, terwijl er ook kinderen met het programma werken die een fors gedeelte van de aangeboden woorden al kennen. Een essentieel kenmerk van goede woordenschatsoftware is daarom dat een leerling aan kan geven of hij een woord al kent of niet. Geeft een kind aan dat het woord bekend is, dan hoeft alleen nog maar getoetst te worden of dit inderdaad het geval is. Uitgebreide oefening en instructie is bij deze woorden pure tijdverspilling. Blijkt uit de toets dat het kind een woord toch niet kent, dan kan het alsnog aangeboden worden in een intensieve vorm. In de praktijk kan dit gerealiseerd worden door kinderen bij het presenteren van de woorden de mogelijkheid te geven om ze in te delen in twee categorieën: ‘ken ik wel’ en ‘ken ik niet’.


Schermafbeelding uit de woordenschatprogramma’s bij Taal in beeld en Zin in taal met mogelijkheid om leerlingen aan te laten geven of ze een woord wel of niet kennen.

Semantiserende oefeningen
Veelzijdige instructie in woordenschatsoftware heeft te maken met de manier waarop woorden worden uitgelegd en de wijze waarop de oefenspellen zijn opgezet. Nogal wat programma’s komen niet verder dan opdrachten die niet of nauwelijks instructie bevatten, maar vooral toetsend van aard zijn. Dit type oefening is alleen geschikt om na te gaan of kinderen de woorden kennen. Met het leren van nieuwe woorden heeft het niet zoveel te maken. De leerlingen die de oefening goed maken, boeken dit resultaat omdat ze de woorden al kenden. Degenen die de woorden niet kennen, leren er weinig of niets van, want er wordt geen uitleg gegeven. De kern van woordenschatonderwijs zit dus in oefeningen waarbij woorden worden uitgelegd en ingeoefend, de zogenaamde semantiserende oefeningen. Woorden leren doe je door verbanden te leggen tussen bekende en onbekende woorden en concepten. Dit betekent dat nieuw aan te leren woorden vanuit veel verschillende invalshoeken zullen moeten worden belicht, bijvoorbeeld vanuit een omschrijving, een afbeelding, een geluid, een contextzin en een relatieschema. Hierdoor ontstaan de beste mogelijkheden om het woord te gaan kennen en het te verankeren in het mentale lexicon. Bij goede woordenschatprogramma’s zijn deze invalshoeken terug te zien in de oefeningen en ook in de oproepbare instructie per woord.






Woordenhulp uit de woordenschatprogramma’s bij Taal in beeld en Zin in taal

Toepassen nieuwe woorden
De vierde laag van het woordenschatonderwijs heeft te maken met het toepassen van nieuwe woorden in een functionele context. Kortweg komt het erop neer dat de leerlingen de woorden gaan herkennen en gebruiken bij het lezen, schrijven, spreken en luisteren. Dit kan op een zakelijke of meer creatieve manier en het belangrijkste is dat de situatie aanzet tot authentiek leren: een echt product in een echte situatie en met een echt doel. De computer kan ondersteunend zijn bij het maken van creatieve producten als woordpresentaties, woordschilderijen of woordanimaties. Bij het zakelijk schrijven valt te denken aan inhoudelijke presentaties, e-mail- of chatberichten of teksten die gepubliceerd gaan worden op websites, weblogs of webforums. Hierbij gaat het niet alleen om de tekst, maar ook het vervaardigen of zoeken van bijpassend beeldmateriaal, bijvoorbeeld in de vorm van afbeeldingen of videofragmenten. Ook door deze activiteiten worden leerlingen direct en intensief geconfronteerd met de belangrijkste betekenisaspecten van de woorden die ze gebruiken.

De optelsom van de beschreven vier lagen maakt het woordenschatonderwijs, mede dankzij het gericht gebruiken van de computer, evenwichtig en uitdagend. Waarom zouden we met minder genoegen nemen?


5.1.08

Alles draait om woordenschat

Door Jos Cöp

Inleiding
Woordenschatontwikkeling is belangrijk. Daar is iedereen het over eens. Een beperkte woordenschat leidt in veel gevallen tot slechte schoolresultaten. Verder is er geen vakgebied waarin de verschillen tussen kinderen zo groot zijn. Onderwijs gericht op het vergroten van de woordenschat is daarom zeker niet eenvoudig, maar desondanks wordt het steeds meer een algemeen goed. Veelal wordt daarbij de nadruk gelegd op het aanleren van woordbetekenissen, maar effectief woordenschatonderwijs is breder.

Verschillen in woordenschat
De belangstelling voor woordenschatonderwijs komt niet ineens uit de lucht vallen. Meerdere onderzoeken en publicaties stelden vast dat er een enorm verschil is in het aantal woordbetekenissen dat kinderen op een bepaalde leeftijd kennen. Zo blijkt steeds opnieuw dat er een enorm gat is tussen de woordenschat van kinderen uit taalarme en taalrijke milieus. Driejarige kinderen uit taalrijke milieus kunnen een woordenschat hebben die vijf keer zo groot is als hun klasgenootjes uit taalarme milieus. Dat is een heel groot verschil, maar op zich wel begrijpelijk gezien het feit dat kinderen uit taalrijke milieus meer dan twee keer zoveel verschillende woorden per uur horen dan kinderen uit taalarme milieus. Meer woorden horen, vergroot uiteraard de kans op het gaan kennen van meer woordbetekenissen. Vandaar dat het verschil bij aanvang van de schoolloopbaan zo groot is. Verder weten we ook nog dat die verschillen tijdens het naar school gaan vaak alleen maar groter worden. Werk aan de winkel dus.

Het belang van woordenschat
Waarom is die woordenschatontwikkeling dan zo belangrijk? Minder woorden kennen, is dat zo'n probleem? Het antwoord hierop is ja. Ten eerste omdat het bij veel kinderen niet gaat om een paar woorden minder, maar om een duidelijk groter verschil. Verder is vast te stellen dat het kennen van woordbetekenissen enorm belangrijk is voor een goede taalleesontwikkeling. Bijna ieder aspect van de taalleesontwikkeling is verbonden met woordenschat.


Woordenschat en taalleesontwikkeling

De woordherkenning bij het technisch lezen en het vlot lezen gaat een stuk sneller als het gaat om woorden die bekend zijn. Hetzelfde geldt voor het leren spellen. De schrijfwijze van woorden beklijft veel gemakkelijker als het woord betekenis heeft. Ten aanzien van het leesbegrip kan vastgesteld worden dat woordenschat één van de belangrijkste voorspellers is. Het niet kennen van 10% van de woorden, maakt het begrijpen van een tekst vrijwel onmogelijk. Dit geldt ook voor het luisteren. Vallen er serieuze gaten doordat woorden ‘mistig’ zijn, dan is een gesprek al gauw niet meer te volgen. Weg leuk contact, weg lekker gesprek. Bij schrijven en spreken speelt ook iets vergelijkbaars. Het niet kennen van de juiste woorden betekent dat het heel moeilijk kan zijn om je uit te drukken over bepaalde zaken. Het belemmert daarmee de mogelijkheden tot communiceren. Kortom, de conclusie om woordenschatontwikkeling te beschouwen als één van de belangrijkste elementen van de taalleesontwikkeling is gerechtvaardigd. Wetenschappers discussiëren met elkaar of het de motor of de brandstof is, maar duidelijk is in ieder geval wel dat je zonder niet succesvol kunt 'rijden'.

Hoe leren kinderen nieuwe woorden?
Als leerkracht heb je gauw het idee dat kinderen een woord wel zullen kennen. "Ik heb het je uitgelegd, dus je weet wat het is", is een veelgehoorde uitspraak. Eigenlijk is het best jammer dat de waarheid wat grilliger is. Het leren van nieuwe woorden is namelijk een vorm van netwerkjes bouwen met verbindingen tussen woorden die je wel kent en het woord dat je nog niet echt kent. En als zo'n verbinding een aantal keren gelegd kan worden en vervolgens ook nog onderhouden wordt, dan mag je aannemen dat het woord onderdeel is geworden van de woordenschat van een kind. Belangrijk is om er nadrukkelijk rekening mee te houden dat woorden dus bijna nooit in één keer geleerd kunnen worden en dat losse woorden, die het kind niet kan koppelen aan bestaande kennis, niet of nauwelijks onthouden kunnen worden.


Woorden in netwerken

Woordenschatonderwijs in vier lagen
Woordenschatonderwijs wordt vaak geassocieerd met het aanleren van woordbetekenissen. Alhoewel dit een belangrijk onderdeel is, zijn er veel meer leeractiviteiten die een positieve invloed hebben op het vergroten van de woordenschat van kinderen. We kunnen daarbij vier lagen onderscheiden, die samen staan voor evenwichtig woordenschatonderwijs.


De vier lagen van het woordenschatonderwijs.

De eerste laag heeft te maken met het onderwijsleerklimaat en de talige omgeving die een school te bieden heeft. Deze omgeving moet rijk ingericht zijn zodat kinderen veel met mondelinge en schriftelijke taal in aanraking komen, waardoor ze op ongedwongen wijze in contact kunnen komen met veel woorden in een echte, authentieke context. Op deze manier ontwikkelt zich het woordbewustzijn, krijgen ze interesse in woorden en groeit hun woordenschat zonder dat er sprake is van gerichte instructie. Een stimulerende omgeving heeft enerzijds te maken met de materiële invulling van de schoolomgeving (veel zichtbare en bereikbare taal) en anderzijds met de talige activiteiten. Voorbeelden hiervan zijn de talige aankleding van de school, interactief voorlezen, woordbesprekingen bij de zaakvakken, gespreksvormen en uitwisselingsvormen zoals presentaties of discussies.

Een tweede laag wordt gevormd door de aandacht voor strategieën en vaardigheden om de betekenis van woorden die nog onbekend zijn, af te kunnen leiden. Instructie geven over woorden is mooi, maar de meeste woorden leren kinderen zonder dat er wat uitgelegd wordt. Ze leiden de betekenis zelf af (uit beeld, uit de woordbouw, of uit de omringende tekst), zoeken het woord op of vragen het na. Hierbij zal overigens vaak blijken dat de woordbetekenis niet beklijft door één keer de juiste betekenis gehoord of gezien te hebben. Daarom is het belangrijk dat kinderen zelf ook over strategieën en vaardigheden beschikken waarmee ze in staat zijn om de betekenis beter te onthouden. Dit kunnen ze doen door te associëren (bijvoorbeeld een woordweb te maken), woorden aan elkaar te verbinden met een relatieschema (bijvoorbeeld een woordparaplu, woordkast, woordpad of woordpodium) of de woordbetekenissen toe te passen (bijvoorbeeld in raadsels, teksten of presentaties). De aandacht voor vaardigheden en strategieën in het woordenschatonderwijs is over het algemeen erg beperkt. Gelukkig zien we dat moderne taal- en leesmethoden er wel steeds meer werk van maken.

De derde laag is gericht op het aanleren van woordbetekenissen. Veel scholen kiezen ervoor om hierbij gebruik te maken van het VSCC-model van Verhallen, wat bestaat uit de volgende vier fasen: voorbewerken (motiveren, netwerk openen), semantiseren (veelzijdig uitleggen), consolideren (ongeveer zeven keer herhalen) en controleren. Dat deze werkwijze veel toegevoegde waarde kan hebben voor kinderen met een beperkte woordenschat, is inmiddels wel bewezen. Maar door het enorme tijdsintensieve karakter en het feit dat het erg schools blijft, is het niet voor alle kinderen op alle momenten de ideale oplossing.

De vierde laag is die van het toepassen van woordbetekenissen, het uiteindelijke doel van woordenschatonderwijs. Dit betekent dat kinderen bij het lezen, schrijven, luisteren en spreken de woorden actief gebruiken of passief herkennen. In functionele teksten en authentieke taaluitingen: ingezonden brieven, advertenties, e-mails, reisverslagen, presentaties, woordschilderijen, woordraadsels en ga zo maar door.

Effectieve leertijd
Naast de verschillen in de omvang van de woordenschat, zijn de woordbetekenissen die kinderen kennen vaak behoorlijk verschillend. Ieder kind is anders, heeft andere interesses en dus is ook de samenstelling van de woordenschat verschillend. Dit maakt het in groepsverband leren van nieuwe woorden niet eenvoudig en is een belangrijk argument om terughoudend te zijn met het klassikaal leren van nieuw woordbetekenissen. Omdat goed woordenschatonderwijs voor een leerkracht intensief is, is het altijd de moeite waard om te kijken of een methode in staat is om belangrijke ondersteuning te bieden. Maar ook dan kan een les nog zo goed in elkaar zitten, als kinderen de aangeboden woorden al kennen is het effect om precies te zijn nul. Of onder nul zelfs: het mee moeten doen met een activiteit waarvan je de doelstelling al bereikt hebt, is frustrerend en leidt gemakkelijk tot demotivatie. Dit is te voorkomen door meer gedifferentieerd in te steken en eerst na te gaan welke kinderen behoefte hebben aan deze extra instructie van woordbetekenissen en welke niet.

Methoden hebben vaak de neiging om in een les een vaststaand pakket aan doelwoorden aan te bieden. In de praktijk betekent dit dat veel kinderen uitleg krijgen over en oefeningen doen met woorden die ze al kennen. Om dit te voorkomen is het noodzakelijk om vooraf in te kunnen schatten voor wie het expliciet aanleren van de doelwoorden van toegevoegde waarde is. Dit kan gebeuren door deze activiteiten na een toetsmoment te plaatsen of door resultaten op eerdere toetsen, uit voorafgaande blokken uit methoden of niet-methodegebonden metingen, als uitgangspunt te nemen.

Een voorbeeld van toetsing voordat de doelwoorden intensief worden uitgelegd vinden we bijvoorbeeld in de taalmethode Taal in beeld. In de basislessen woordenschat uit deze methode staan de strategieën en vaardigheden om woordbetekenissen af te leiden en te onthouden centraal. Hierbij worden de doelwoorden wel geraakt, maar niet meteen aan alle leerlingen expliciet onderwezen. Na de basislessen wordt getoetst of er nog extra aandacht voor de doelwoorden nodig is. Vervolgens kan de leerkracht ervoor kiezen om de kinderen die dat nodig hebben met behulp van geavanceerde woordenschatsoftware en / of een woordenschatspel gericht te ondersteunen bij het leren van de doelwoorden. Mocht een leerkracht, overigens volkomen terecht, niet willen wachten tot na de toets, dan kan de software en / of het leerspel al op een eerder moment ingezet worden. Bijvoorbeeld in de vorm van preteaching of direct in het verlengde van de basislessen.
Een voorbeeld van het uitgaan van eerdere toetsing vinden we in de nieuwe versie van de methode Zin in taal. Op basis van deze resultaten kunnen de basislessen woordenschat, voor de kinderen die dat nodig hebben, uitgebreid worden met extra lessen en aanvullende activiteiten met behulp van woordenschatsoftware.

De computer
Uiteraard zijn er grenzen aan de organiseerbaarheid van het gedifferentieerd aanbieden van het woordenschatonderwijs. Steeds meer wordt in dit verband gewezen op mogelijke kwaliteitsverbetering door het gericht inzetten van de computer. In het artikel "Woordenschatonderwijs en de computer" zullen we hierop nader ingaan.

5.12.07

Help, wat moet ik met zo’n bord? De (on)zin van een digitaal schoolbord.

Door Jos Cöp en Albert Rouschop

Inleiding
Het digitale schoolbord is sterk in opkomst. Eind 2006 was 11% van de basisscholen en 42% van de scholen voor voortgezet onderwijs in het bezit van een digitaal schoolbord. Van de scholen die toen nog niet over zo’n bord beschikten, waren vier van elke tien scholen van plan om binnen twee jaar één of meerdere digitale schoolborden aan te schaffen (Kennisnet ICT op school, 2007). Het kan dus bijna niet anders dan dat het onderwijs in Nederland de komende jaren overspoeld gaat worden met digitale schoolborden. In dit artikel zullen we ingaan op de betekenis van deze borden voor de dagelijkse praktijk en proberen we verder te kijken dan de glitter en glamour van flitsende presentaties of gelikte folders.

Alles onder handbereik
Het schoolbord is in de klas altijd één van de blikvangers geweest. Het grote zwarte of groene bord met de onmisbare krijtjes, de corrigerende borstel en, helaas, het bijbehorende stof, piepende geluid en de vieze vingers. De functie van het bord is helder, onmisbaar en toch ook wel beperkt: een centrale plek, voor iedereen waarneembaar en daarmee het verzamelpunt voor alles dat snel grootschalig zichtbaar moet worden gemaakt.

Aan de poten van het krijtbord wordt echter al enige tijd gezaagd. Eerst door de zogenaamde whiteboards, waarbij de uitwisbare stift de plek van het krijtje probeerde in te nemen en het stof achterwege kon blijven. Maar momenteel is het de elektronische versie van het whiteboard die het schoolbord een totaal ander gezicht geeft. Door de verbinding met een computer en beamer is zo'n beetje alles onder handbereik, waaronder het volledige internet met een onuitputtelijke bron aan teksten, afbeeldingen, landkaarten, filmpjes, animaties en ga zo maar door. Met ongekende mogelijkheden als het gaat om het dynamisch presenteren. Dat steekt toch wel even af tegen de mogelijkheden van het traditionele schoolbord, die ophielden bij het schrijven van eigen teksten, het maken van tekeningen en, indien magnetisch, het ophangen van allerlei beeldmateriaal.

Even snel aanschaffen?
Dat een elektronisch schoolbord in potentie veel te bieden heeft, is duidelijk. Maar als school ben je er niet met een vluchtige aanschaf van zo’n bord. Het succesvol kunnen werken met een digibord heeft te maken met de afstemming van het bord op de schoolsituatie. Hierbij spelen elementen als de kwaliteit van het bord, de ruimtelijke inrichting van de klassen, de onderwijskundige inpassing en de computervaardigheden en beschikbare tijd van de leerkracht een belangrijke rol. Kortom, de meerwaarde van het digibord ligt wel voor het grijpen, maar is niet vanzelfsprekend. Het succesvol werken met een dergelijk bord is afhankelijk van een goede oriëntatie en implementatie. Hieronder noemen we eerst een aantal attentiepunten die van belang zijn bij de keuze voor de aanschaf van een digibord. Vervolgens gaan we meer in op het didactisch gebruik van een digibord. Met een aantal voorbeelden illustreren we hoe goede digibordsoftware eruit kan zien.

Amusement als doel?
Het eerste attentiepunt heeft te maken met de meerwaarde voor het leren. Het is mogelijk geworden om met enkele klikken allerlei vermakelijke zaken op het bord te tonen. Deze worden aangeboden voor educatief gebruik, maar hebben ze ook een meerwaarde als het gaat om het leren? Soms wel en soms niet. Een dynamische landkaart zeker wel, maar een mooie winkel waarin kinderen virtueel kunnen winkelen en de merknamen van één fabrikant indringend tegenkomen waarschijnlijk niet. En daar zit het risico: de grabbelton is rijkelijk gevuld met kwaliteit, maar zeker ook met veel inferieur materiaal in een mooi jasje. Het gebruiken van materiaal uit de laatste categorie heeft op zijn best een hoge amusementswaarde, maar betekenis voor het geven van onderwijs heeft het absoluut niet. Het werken met een digibord moet van de leerkracht geen showmaster maken.

Effectief en doelgericht leren
Een tweede attentiepunt heeft te maken met de effectiviteit van de leeractiviteiten waarbij het digibord wordt gebruikt. In principe is in wetenschappelijk opzicht vrij veel bekend over hoe een effectieve leeractiviteit in elkaar zit. Om een leerdoel te bereiken, is het belangrijk dat er sprake is van een introductie, er een instructiemogelijkheid is, de leerlingen verwerkingsopdrachten doen en er ter afsluiting teruggekeken wordt door middel van een evaluatie. Door te werken vanuit deze lesfasering ontstaan de beste garanties dat kinderen leren aan de hand van de activiteiten die ze verrichten. Helaas is er een tendens waarneembaar waarin niet de uitgebalanceerde leeractiviteit, maar slechts dat ene flitsende aspectje op het digibord, centraal staat. Veelal met een hoog amusementsgehalte, maar tegelijkertijd betekenisloos als het gaat om leren en ontwikkelen. Het bekijken van een toeristisch filmpje over Portugal, betekent niet dat de onderwijsdoelen die samenhangen met dit onderwerp bereikt worden. Daar is meer voor nodig.
Gelukkig is de tegenbeweging hiervan al duidelijk waar te nemen. Educatieve uitgeverijen zijn nadrukkelijk bezig om hun methoden geschikt te maken voor het digibord en daarmee de meerwaarde van het bord te koppelen aan effectieve didactieken en een verantwoorde opbouw van de leerstof.

De voorbereidingstijd en methodisch werken
Een derde attentiepunt heeft te maken met de manier waarop lessen samengesteld worden. Natuurlijk mogen lessen van tijd tot tijd best wat associatief in elkaar zitten. Het wordt echter wel problematisch als daardoor de leerlijnen, het overzicht en de eindtermen met mist omhuld worden. Voor het primair onderwijs zijn dat de kerndoelen. Het in het verlengde van deze kerndoelen voortdurend zelf bedenken van en zoeken naar de passende lesstof is een enorm karwei. Methoden bieden een goed alternatief voor deze zoektocht. Niet om slaafs van dag tot dag te volgen, maar wel om met een verantwoorde voorbereidingstijd goede lessen te kunnen geven. Mocht de intrede van het digibord dit, zoals in de geschiedenis vaker is gebeurd, opnieuw ter discussie stellen, dan is het toch reëel om te constateren dat het bij elkaar grabbelen van lessen op het internet geen verantwoorde basis is voor effectief en efficiënt onderwijs. Zeker niet voor de vakken waarin kinderen de basis leggen voor de vaardigheden die ze nodig hebben tijdens hun verdere onderwijsloopbaan: lezen, taal en rekenen.

Terug naar klassikaal frontaal leren?
Een vierde attentiepunt heeft te maken met de vorm waarin het onderwijs georganiseerd wordt. Momenteel woedt er in Nederland een forse onderwijsdiscussie die zich laat karakteriseren door het nieuwe leren versus het oude leren. Op zich een interessante discussie, maar tegelijkertijd ook nagenoeg zinloos omdat het een debat is tussen karikaturen van vormen waarin onderwijs aangeboden kan worden. De voorstanders van het nieuwe leren (kernwaarden: actief leren, authentiek leren) veroordelen het traditionele leren als massaoplossing, waarin de leerkracht klassikaal werkt en doceert aan een groep van dertig leerlingen. Het risico van deze vorm van onderwijs geven is dat met name de leerkracht hard aan het werk is, maar dat de leerlingen door een gebrek aan betrokkenheid en uitdaging afhaken. Het is helder dat met het groter worden van de verschillen tussen kinderen deze massaoplossing nog maar onvoldoende werkt.

Er is duidelijk meer behoefte aan organisatievormen die meer tegemoetkomen aan verschillen tussen leerlingen. Met het digibord lijkt de frontale, klassikale organisatievorm van het onderwijs zich te versterken ten koste van de differentiatiemogelijkheden die momenteel steeds meer gemeengoed zijn geworden. De mate waarin met software gedifferentieerd kan worden, is daarmee bepalend geworden of de didactische klok wel of niet teruggezet gaat worden.
Ook tijdens gegroepeerde lesmomenten waarbij het digitale schoolbord gebruikt wordt, moet het dus mogelijk zijn dat een gedeelte van de kinderen zelfstandig aan het werk is en via een andere organisatievorm de leerdoelen gaat bereiken. Er zijn vele manieren waarop je kunt leren wat de persoonsvorm is. Instructie door de leerkracht met behulp van een digibord is één van deze mogelijkheden. Zelfstandig lerend deze instructie lezend tot je nemen, kan voor een bepaalde groep kinderen een betere oplossing zijn. Niet alles hoeft dus te draaien om een digibord. Het is en blijft een hulpmiddel.

Waarom een digibord?
Wellicht zijn er aan bovenstaande lijst nog meer attentiepunten toe te voegen. Kort samengevat geven we aan dat het digibord een enorm potentieel in zich heeft om het onderwijs van de toekomst te gaan beïnvloeden. Er kunnen dingen in de klas, die in het verleden niet haalbaar waren. Het onderwijs kan directer aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, wat de betrokkenheid en daarmee ook de effectiviteit van het leren enorm ten goede kan komen. De kwaliteit van instructie kan toenemen als er gebruik wordt gemaakt van krachtig (didactisch en gediffentieerd) digibordmateriaal. En dat is zo langzamerhand voldoende voorhanden.
Hieronder zullen we een aantal voorbeelden bekijken van methodegebonden digibordsoftware.

Het digimenu
Goede methodegebonden digibordsoftware start vanuit een digimenu. Dit is een compleet overzicht van de methode waar doorheen geklikt kan worden. Een mooi voorbeeld van een digimenu is te vinden bij de nieuwe taalmethode Taal in beeld.

Afbeelding: digimenu uit de digibordsoftware van Taal in beeld

Alle onderdelen van de methode kunnen met enkele ‘clicks’ bereikt worden. Zo zijn bijvoorbeeld het complete taal- en werkboek elektronisch beschikbaar. Door een dergelijk digimenu krijgt een methode een volwaardige elektronische ingang en wint enorm aan gebruiksgemak. Voorheen kon je een overzicht over een hele methode alleen krijgen vanuit de handleiding. Door de verwijzingen te volgen kwam je waar je moest zijn. Uiteraard blijft de handleiding deze functie behouden, maar hetzelfde kan nu ook, en veel gemakkelijker, door te klikken op de verschillende onderdelen in het digimenu.

Groot projecteren
Vanuit het digimenu is het mogelijk om door te klikken naar het leerlingmateriaal. In het geval van Taal in beeld betreft het onder andere het taal- en werkboek. Hierin staan, in tegenstelling tot andere methoden, de volledige taallessen weergegeven. De doelstelling verschijnt in beeld, evenals de oriëntatie, de uitleg, de verwerking en de reflectie. Al lezend kunnen de kinderen individueel of samenwerkend aan de slag en de leerkrachtrol wordt dan begeleidend. Toch zijn er veel situaties denkbaar waarbij de leerkracht een directere vorm van begeleiding zal moeten bieden, door zelf dingen uit te leggen en de kinderen die het nodig hebben door de les te leiden. Daarbij is het groot projecteren van de lessen op het digibord van toegevoegde waarde. Het is geen werkvorm die zonder meer gehanteerd moet worden voor alle leerlingen, maar met name zwakkere leerlingen en kinderen met een slechte taakwerkhouding zullen er baat bij hebben.

Afbeelding: instructiemoment uit de digibordsoftware van Taal in beeld

De meerwaarde van dit alles is de mogelijkheid dat iedereen het kan volgen. Makkelijker dan in het boek, al zal het boek er nooit overbodig door worden, want dat zou betekenen dat de klok, als het gaat om differentiëren, een fors aantal jaren teruggezet zou worden. Alles zou weer klassikaal gebeuren. Iets dat we niet moeten willen.

Extra functies om de instructie te ondersteunen
Vanuit deze geprojecteerde leerlingmaterialen is het mogelijk om verder door te klikken naar faciliteiten die een digibord te bieden heeft en een boek niet. Door op elementen in het leerlingmateriaal te klikken worden speciale functies gestart. In eerste instantie wordt vaak gedacht aan audio-ondersteuning bij moeilijke teksten en filmpjes of animaties die meer zeggen dan duizend woorden. Maar er zijn veel meer mogelijkheden.

Een mooi voorbeeld hiervan is te vinden in de digibordsoftware van de nieuwste versie van de taalmethode Zin in taal. Er kan geklikt worden op de moeilijke woorden in de lessen, waardoor de woordenhulp wordt gestart. Het woord verschijnt in beeld en wordt veelzijdig uitgelegd door middel van een omschrijving, een geluid, een afbeelding, een voorbeeldzin en een relatieschema.

Afbeelding: woordenhulp uit de digibordsoftware van de methode Zin in taal

Een andere methode die bij haar digibordsoftware heel veel ondersteuningsmogelijkheden voor het geven van instructie biedt, is Veilig leren lezen. Niet alleen doordat het werkboekje groot geprojecteerd kan worden en geschreven woorden kunnen worden verklankt, maar met name doordat allerlei hulpmateriaal elektronisch gemaakt is en daardoor veel gebruiksvriendelijker is geworden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het klikklakboekje, de woordstroken, de wisselrijtjes en de letterlijnen.

Afbeelding: elektronische versie van de letterlijn uit de digibordsoftware bij Veilig leren lezen.

Letters ophangen, verwisselen en herordenen aan een echte letterlijn is een vrij intensief klusje, wat in een aantal gevallen het tempo uit de instructie haalt. Op een digitaal schoolbord is dit een heel ander verhaal. Met één klik is het voor elkaar, waardoor de mogelijkheden om de letterlijn tijdens de instructie te gebruiken, enorm toenemen.

Oefensoftware met instructiemomenten
Oefensoftware is een bekende term voor computerprogramma’s die kinderen op de pc gebruiken en waarmee ze leerstof die eerder aan de orde is geweest, inoefenen en verwerken. Vaak is er een denkbeeldige scheiding tussen software voor de pc en voor het digitale schoolbord. Over de pure oefensoftware gericht op individuen kunnen we kort zijn: deze is zelden geschikt voor het digibord. Het wordt echter een andere zaak als er voorafgaand aan die oefeningen sprake is van gerichte instructie. Dan sluiten de kenmerken van die software ineens een stuk beter aan bij de meerwaarde van een digitaal schoolbord, namelijk het ondersteunen van de instructie. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de software bij de spellingmethode Spelling in beeld. In deze methode staat de instructie per spellingcategorie weergegeven op uitlegkaarten. Ook in het bijbehorende computerprogramma verschijnen diezelfde uitlegkaarten op het scherm.

Afbeelding: instructiescherm uit de (digibord)software van Spelling in beeld.

Omdat het software betreft, is het ook mogelijk om de instructietekst uit te laten spreken. Dit gebeurt op het moment dat een nieuwe oefening wordt opgestart en biedt zeker ook zwakke spellers iets dat een boekje niet kan bieden. Voor de leerkracht biedt het ook veel gebruiksgemak. Het digibord neemt een gedeelte van de instructierol over. Daarmee wordt de software meer geschikt voor interactief gebruik. Praktijkervaringen geven aan dat door de toevoeging van instructiemomenten aan de software de geschiktheid voor het digibord enorm toeneemt en dat het onderscheid tussen pc-software en digibordsoftware langzamerhand aan het vervagen is.

De elektronische methode
Methodegebonden digibordsoftware is pas relatief kort verkrijgbaar. Momenteel zijn er al veelbelovende dingen te zien. Een interessante vraag is waar het allemaal naar toe zal gaan. Wellicht is de toekomst dat methoden volledig elektronisch gaan worden. Een aanzet hiertoe vinden we bij het pakket Taalmaker. Dit pakket bevat plustaken (uitbreidingsstof) op het gebied van taal, als aanvulling op alle reguliere taalmethoden. Een gedeelte van de plustaken is uitgewerkt in de vorm van computerbladen.

Afbeelding: scherm met film en leerzame vragen uit de (digibord)software van Taalmaker.

Een computerblad bevat een volledige les waar doorheen geklikt kan worden. Na het noemen van het doel, uiteraard uitgesproken zodat een te laag leesniveau geen belemmering hoeft te zijn om met uitbreidingsstof aan de slag te gaan, gaan de kinderen aan de hand van een filmpje een taaluiting bekijken. Om greep te krijgen op de taaluiting, bijvoorbeeld een verslag van een kinderconcert, maken ze onder meer een quiz. Uiteindelijk wordt uitgelegd wat een verslag is en hoe je verslag doet. In een productieve opdracht gaan kinderen zelf verslag doen van een grappige gebeurtenis die ze meegemaakt hebben. De complete les, uitmondend in een opdracht die ze ook op papier kunnen maken, is elektronisch geworden, mede dankzij het digibord. Het is best mogelijk dat we over vijftien jaar niet beter meer weten en ons verbazen over de onhandige manier waarop lessen uit boeken werden gegeven. De tijd zal het leren.

Samenvattend kunnen we stellen dat het digibord de onderwijspraktijk veel te bieden heeft. Als leerkrachten daarbij voldoende oog blijven houden voor de verschillen in onderwijsbehoeften bij kinderen, hun lessen niet voortdurend ongericht bij elkaar gaan grabbelen en complete leeractiviteiten in plaats van korte amusante lesmomenten aanbieden, dan zijn er niet of nauwelijks voorbehouden te maken ten aanzien van het gebruik van een digibord. Als dan ook de uitgevers hun methoden op een goede manier verbinden met de nieuwe multimediale mogelijkheden, dan heeft de leerkracht er een assistent bij. Een ontwikkeling die het onderwijs niet alleen beter maar ook leuker maakt.

Literatuur:
Kennisnet ICT op school (2007) Vier in Balans Monitor 2007. Stand van zaken over ict in het onderwijs. Zoetermeer: Kennisnet ICT op school.

Jos Cöp was leerkracht basisonderwijs, schoolbegeleider en ict-adviseur. Nu is hij als onderwijskundig ontwerper en onderwijskundig projectleider betrokken bij de ontwikkeling van een aantal methoden en softwarepakketten. E-mail: j.cop@zwijsen.nl.

Albert Rouschop was leerkracht basisonderwijs en schoolbegeleider. Nu werkt hij als adjunct-directeur op een school voor speciaal onderwijs. Email: a.rouschop@live.nl.